Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl Baram Pacha door de menschenmassa in de poort reed, zei hij tot zijn dienaar Machmud, die hem volgde:

„Hoor je wel, Machmud, hoe al die menschen, die me tegenkomen, verbaasd zijn en elkaar vragen: „Wat zal er nu gebeuren? Rijdt Baram Pacha naar zijn huis, dat hij in drie jaar niet gezien heeft?"

En zijn dienaar antwoordde hem, dat hij hoorde, hoe de menschen zich daarover verwonderden.

Toen sprak Baram Pacha met groote ergernis:

„Meenen ze dan, dat ik zoo oud ben, dat men met mij doen kan wat men wil? Meenen ze, dat ik 't verdragen kan, dat vreemdelingen een schandelijk leven leiden in het huis, dat ik voor mijn vrouw bouwde, die goed en eerlijk was?"

De dienaar van Baram Pacha zocht zijn toorn te stillen, en zei: „Heer, ge vergeet, dat het niet de eerste keer is, dat wij de Christenen elkaar hooren belasteren."

Baram Pacha hief de armen omhoog in zijn toorn, en riep uit: „Fluitblazers en danseressen hebben hun toevlucht genomen in de kamer, waar zij, die ik liefheb, stierven. De dag zal niet ten einde zijn, eer deze misdadigers uit mijn huis verdwenen zijn."

Toen de oude Pacha dit zei, kwam hij een troepje schoolkinderen tegen, die langs den weg aankwamen, twee aan twee, in vluggen marsch. En toen hij ze zag vond hij, dat ze er al heel anders uitzagen dan alle andere kinderen, die op de straten van Jeruzalem rondloopen, want deze waren schoon gewasschen, hadden heele kleeren en sterke schoenen aan, en hun haar was licht en netjes gekamd.

Baram Pacha hield zijn ezel in, en zei tot zijn dienaar: „Ga ze vragen, wie ze zijn."

„Ik behoef hun dat niet te vragen," antwoordde zijn dienaar, „want ik heb ze hier alle dagen gezien, 't Zijn de kinderen van de Gordonisten, en ze zijn op weg naar de school, die die menschen hier in de stad gesticht hebben in 't oude huis, waar ze woonden, eer ze uw groote huis gehuurd hadden."

Terwijl de Pacha nog stil de kinderen zat na te kijken, kwamen twee mannen met een karretje aan, waarin de kleinste schoolkinderen zaten, die zelf nog niet naar de stad konden gaan. En de Pacha zag, dat de kleintjes in de handen klapten van vreugde, dat ze rijden mochten en zij, die trokken, lachten tegen hen en reden nog harder om hun plezier te doen.

Toen vatte zijn dienaar moed en vroeg hem:

„Dunkt u niet, Heer, dat deze kinderen goede ouders moeten hebben?"

Maar Baram Pacha was een oud man en onverstoorbaar in zijn toorn, zooals de ouden gewoonlijk zijn. „Ik heb hun eigen

244

Sluiten