Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft een nog scherper bocht in zijn neus gekregen dan vroeger."

Midden tusschen alle wandelaars zag Bo Hellgum, die daar liep met zijn vrouw aan de eene hand en zijn lief dochtertje aan de andere, ,,'t Is toch merkwaardig met Hellgum," dacht Bo. „Hij is zoo achteruitgezet, sinds we ons bij de Amerikanen aansloten, en dat kon ook niet anders, nu deze zoo hoog staan, en zulk een groote vaardigheid hebben in 't verklaren van Gods woord. Ik zou wel willen weten wat hij denkt, nu niemand zich om hem heen dringt op zulk een wandeling. Maar ik weet wel, dat zijn vrouw er blij om is, dat ze hem wat meer voor zich alleen heeft. Men kan 't zien aan heel haar houding en manieren. Zij is nooit zoo trotsch en gelukkig geweest, haar leven lang."

Heelemaal vooraan liep de mooie Miss Young. Naast haar liep een jonge Engelschman, die zich voor een paar jaar bij de kolonie had aangesloten. Bo wist even goed als alle anderen, dat de jonge man Miss Young liefhad, en dat hij in de kolonie gekomen was in de hoop met haar te mogen trouwen. Het jonge meisje hield ook zeker van hem, maar de Gordonisten wilden hun strenge wetten om harentwil niet veranderen, en zoo hadden de jongelui een paar jaar in hopeloos wachten geleefd. Nu liepen ze naast elkaar, spraken alleen maar met elkaar en hadden voor niemand anders oogen. En zooals zij daar vlug en beweeglijk vooraan den stoet gingen, was het alsof zij zich wilden haasten, de heele schaar achter zich laten, en de wereld invliegen, om eindelijk hun eigen leven te leven.

Maar achter aan den optocht zag Bo Gabriël. Er was in de kolonie een Fransche matroos. Hij was daar al in 't begin gekomen, en nu was hij oud en gebrekkig. Gabriël had hem een arm gegeven en hielp hem de steile hellingen op.

„Dat doet Gabriël, omdat hij aan zijn ouden vader denkt," dacht Bo.

Om te beginnen ging de stoet recht naar 't oosten, door een woeste, eenzame bergstreek. Daar werden nog geen bloemen gevonden, de losse grond was weggespoeld van de steile heuvelkanten, alles was naakte, geelgrauwe bergwand.

,,'t Is toch wonderlijk," dacht Bo. „Ik heb nooit te voren zoo'n blauwen hemel gezien, als die zich nu over deze gele heuvels welft. En die bergen zijn niet leelijk, al zyn ze zoo kaal. Als ik hun mooie ronding zie, moet ik denken aan de groote koepels op kerken en huizen hier in 't land."

Toen de wandelaars zoowat een uur geloopen hadden, kregen ze 't eerste rotsdal in 't oog, waarvan de bodem met roode anemonen bedekt was. Dat was een drukte en een blijdschap! Allen haastten zich met roepen en lachen de helling af en begonnen de bloemen in te zamelen. En men plukte anemonen met groo-

252

Sluiten