Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten ijver, tot men een oogenblik later een tweede dal vol violen vond, en toen een derde, waar allerlei lentebloemen door elkaar groeiden. In 't begin plukten de Zweden al te ijverig. Zij rukten de bloemen naar zich toe. Toen kwamen de Amerikanen en wezen hun hoe ze doen moesten. Zij moesten met zorg kiezen, en alleen zulke bloemen plukken, die geschikt waren om te drogen, 't Was een werk, dat nauwkeurig gedaan moest worden. Bo liep naast Gertrud te plukken. Nu en dan stond hij even op om den rug wat recht te strekken.

Toen zag hij vlak bij zich een paar groote boeren, die zeker in geen jaren naar een bloem hadden omgezien, en nu even vlijtig plukten als al de anderen. Bo kon nauwelijks het lachen laten.

Plotseling wendde Bo zich tot Gertrud en zei:

„Ik loop er hier aan te denken, wat Chrsitus meende, toen Hij zei: „Indien ge u niet bekeert en wordt als de kinderkens, kunt ge niet in 't Godsrijk ingaan?"

Gertrud hief 't hoofd op en zag Bo aan. 't Was iets ongewoons, dat hij direkt tot haar sprak.

„Ja, dat is wel een merkwaardig woord," zei ze.

„Ja," zei Bo heel nadenkend en langzaam. „Ik heb wel opgemerkt, dat de kinderen nooit zoo zoet zijn, als wanneer ze spelen, dat ze groot zijn. Nooit laten ze je zoo heerlijk met rust, als wanneer ze een akker ploegen, dien ze midden op den weg hebben afgezet; als ze de bruintjes aanzetten, en met een zweep van garen klappen, en de voren trekken in 't zand van den weg met een dennetak. Zij zijn blij en tevreden, als ze loopen te denken, of ze met 't zaaien klaar zullen komen vóór hun buren, en als ze erover jammeren, dat ze nooit zulk een zwaar te ploegen akker hebben gezien."

Gertrud liep met gebogen hoofd te plukken en antwoordde niet. Ze wist niet waar Bo heen wilde.

„Ik weet zelf, wat een plezier ik had," zei Bo even ernstig, „als ik me een schuur van blokjes bouwde, en er dennenappels in zette bij wijze van koeien. lederen morgen en avond gaf ik de koeien zorgvuldig pas gemaaid hooi, en soms deed ik alsof 't lente was en ik mijn koeien naar de wei drijven moest. Ik blies op mijn vuist als een hoorn en riep „Ster" en „Gele Lelie", zoodat je het over de heele hoeve hooren kon. En ik sprak er met Moeder over, hoeveel melk mijn koeien gaven, en hoeveel ik voor mijn boter en kaas kon maken op de melkerij. Ik was ook heel zorgvuldig om de menschen voor den stier te waarschuwen, en riep allen, die voorbijgingen, toe, dat de stier wel eens stootte."

Gertrud plukte nu minder vlijtig. Ze luisterde aandachtig naar Bo, en begon er zich over te verwonderen, dat Bo juist zulke ge-

253

Sluiten