Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN GEHENNA.

Buiten de muren van Jeruzalem, op de zuidelijke helling van Sion, bezat een van de Amerikaansche zendingshuizen een kerkhof, en daar hadden de Gordon-kolonies toestemming gekregen hun dooden te begraven. Zij hadden nu al velen van de hunnen daar liggen, van den kleinen Jacques Garnier af, die kajuitsjongen op de groote stoomboot „1'Univers" geweest was, en eerste van de Gordonisten was, die stierf, tot Edward Gordon zelf, die aan koorts overleden was, dadelijk na zijn thuiskomst uit Amerika.

Deze begraafplaats was de eenvoudigste, de armoedigste, die men zich denken kan. Ze bestond alleen uit een klein, vierkant stuk grond met een muur er omheen, zóó hoog en breed, dat hij voor een vesting geschikt had kunnen zijn. Daar was geen boom of graszode. Men had alleen de steenen en het puin weggeruimd, zoodat het veld netjes en effen was. Op de graven lagen platte kalksteenen, die men zoo goed in Jeruzalem krijgen kon, en naast enkele graven stonden groene banken en stoelen.

In den oosthoek, waar men zulk een mooi uitzicht had kunnen hebben over de Doode Zee en den in goudachtigen schemer lig— genden berg van Moab, als die muur er maar niet geweest was, lagen de graven der Zweden.

Daar lagen al zoovelen van hen. 't Was alsof onze lieve Heer gevonden had, dat ze al genoeg voor Hem gedaan hadden door hun huis te verlaten, en niets meer van hen begeerde voor Hij hen liet ingaan in Zijn rijk. Daar lagen Birger Larsson, de smid, en Erik, 't zoontje van Ljung Björn, en Gunhild van den rechter, en Brita Ingmarsdochter, die aan de pokken gestorven was, kort na den blijden dag, toen de kolonisten waren uitgetrokken om bloemen te plukken. Daar lagen ook Per Gunnarsson en Marta Eskilsdochter, die tot de gemeente van Hellgum, in Amerika, hadden behoord. De dood had zoovelen van hen weggenomen, dat de kolonisten er verlegen mee waren, dat zij al zooveel van de kleine ruimte op het kerkhof in beslag hadden genomen.

258

Sluiten