Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tims Halfvor Halfvorsson had ook een van de zijnen op dat kerkhof, 't Was de jongste van zijn dochters, een kleintje, dat niet ouder dan drie jaar geworden was. Hij had haar bizonder liefgehad. Zij was ook 't kind, dat 't meest op hem leek. Hij vond, dat hij nooit iemand zóó lief had gehad als dat dochtertje. Toen ze nu dood was, kon hij haar maar niet vergeten. Wat hij ook deed, altijd waren zijn gedachten bij haar.

Als ze nu in Dalecarlië gestorven en begraven was, op 't kerkhof in de gemeente, zou hij 't wel zoover gebracht kunnen hebben, dat hij niet altijd door aan haar dacht, maar nu kwam 't hem voor, dat zijn dochtertje zich eenzaam en verlaten moest voelen op dit akelig kerkhof. En 's nachts zag hij haar zitten op haar grafheuveltje, en hoorde haar schreien en beven van kou, en klagen, dat ze bang was in 't donker, met al dat vreemde om haar heen.

Op een middag ging Halfvor naar 't dal van Josafat, en plukte handen vol roode anemonen, de mooiste en de sterkste, die hij vinden kon, om ze naar 't graf te brengen.

Toen hij op 't groene veld diep in 't dal liep, dacht hij: „Ach, had ik mijn meisje maar hier in de ruimte, onder een groen grasveldje, zoodat ze tenminste niet ingesloten was door dien vreeselijken muur." Hij had altijd dien hoogen muur om het kerkhof gehaat. Telkens als hij aan de doode dacht, was 't hem, alsof hij 't stumpertje had opgesloten in een donker, koud huis, en haar daar zonder toezicht gelaten.

„Ik heb 't koud en akelig," meende hij haar te hooren klagen: „Ik heb het koud en akelig."

Halfvor klom op uit het dal, en volgde het smalle pad, dat onder langs den ringmuur loopt, tot hij buiten kwam op den heuvel van Sion.

't Kerkhof lag een beetje ten westen van de Sionspoort, bij den grooten tuin der Armeniërs.

Halfvor liep aldoor maar aan zijn kind te denken.

Hij liep langs den welbekenden weg, zonder van den grond op te zien. Maar opeens kreeg hij een gevoel, dat er iets vreemds hier buiten was. Hij keek op en hij merkte, dat een paar knechts niet ver van den weg bezig waren een muur af te breken. Halfvor bleef staan en keek naar hen. Wat kon dat voor een muur zijn, die hier gestaan had? Was het een gebouw of een tuin geweest? Daar moest zoowat het kerkhof liggen. Of was hij misschien verkeerd geloopen?

Het duurde een paar minuten, eer hij wist waar hij was, maar toen begreep hij ook wat er gebeurd was. 't Was de hooge kerkhofmuur zelf, dien de arbeiders afgebroken hadden.

Eerst probeerde Halfvor zich wijs te maken, dat die was afgebroken, omdat het kerkhof vergroot moest worden, of omdat ze

259

Sluiten