Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan geen plaats voor kunnen vinden op een van deze vele kale heuvels, maar moest het nu juist hier komen? Als de dooden, die in hun rust gestoord waren, maar niet op een donkeren avond aan 't ziekenhuis kwamen aanbellen, en vragen om binnen te komen.

„Wij willen hier ook slapen," zullen ze zeggen. En dan staan ze daar in een lange rij: Birger Larsson en kleine Erik, en Gunhild, en zijn meisje 't allerlaatst.

Halfvor stond daar en bedwong met moeite zijn tranen, maar hij trachtte te doen, of 't hem niet aanging. Hij zette een onverschillig gezicht, zette één voet vooruit en zwaaide met zijn bouquet roode anemonen.

„Maar wat heb jelui met de dooden gedaan?" vroeg hij.

„De Amerikanen zijn hier geweest en hebben hun kisten weggehaald," zeiden de arbeiders. „Allen die hier iemand hadden liggen, hebben bericht gekregen, dat zij ze moesten komen halen."

Hier hield de man op en zag Halfvor aan. „Misschien is u een van de menschen uit het groote huis buiten de Damascuspoort?" zei hij. „Zij, die daar wonen, hebben niemand van de hunnen afgehaald."

„Wij hebben geen bericht gekregen," zei Halfvor. Hij stond nog altijd met zijn bloemen te zwaaien. Zijn gezicht scheen steen geworden, doordat hij den vreemden mannen niet toonen wilde, hoe hij gekweld werd.

„Zij, die nog niet afgehaald zijn, liggen daar," zeide de arbeider en wees van den heuvel naar beneden.

„Ik zal u wijzen waar ze liggen, zoodat u ze kunt begraven."

De man ging hem voor en Halfvor volgde hem. Toen zij over den afgebroken muur klauterden, nam Halfvor een steen op. De arbeider ging rustig voor hem uit, terwijl Halfvor achter hem aan kwam met den steen in de hand. „Wonderlijk, dat hij niet bang voor me is," zei Halfvor hardop in 't Zweedsch, „dat hij zoo dicht naast me durft loopen. En hij heeft meegedaan, toen ze haar uit 't graf gooiden, hij heeft kleine Greta op den mesthoop gegooid."

„Kleine Greta," ging hij voort, „ze was zoo fijn, dat ze wel in een marmeren kist had mogen liggen. En nu heeft ze niet eens rust gehad in dat ellendig graf.

„Misschien was 't wel juist die kerel, die haar heeft opgenomen," mompelde Halfvor en liep den steen op de handen te wegen,, „nooit heb ik zoo'n lust gehad iets kapot te slaan, als dien kalen kop daar, onder die ronde muts.

„Ik moet je even zeggen, dat dit kleine Greta van Ingmarshoeve was," zei hij, terwijl hij zich liep op te winden. „Zij had recht om naast Groote Ingmar te liggen. Zij hoorde tot die soort van

261

Sluiten