Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdedigen: „lieve kleine Greta, wij wisten er niets van. Niemand wist er iets van, dat je uit de aarde gehaald zou worden. Anderen wisten het, maar wij niet. Ze houden ons niet voor menschen, en daarom liet niemand het ons zeggen."

Toen hij met de kist uit de groeve kwam, voelde hij weer, dat zijn hart niet in orde was. Hij moest gaan zitten, tot de ergste pijn wat bedaarde.

„Wees maar niet bang kindje," zei hij. ,,'t Gaat gauw over. Denk maar niet, dat ik je niet hier vandaan kan dragen."

Langzamerhand kreeg hij zijn kracht terug en met de kist op den schouder liep hij voort in de richting van Jeruzalem.

Terwijl hij voortging langs het smalle pad buiten den muur, was het alsof alles een ander gezicht gekregen had. De muren en puinhoopen maakten hem angstig. Alles was zoo wonderlijk dreigend en vijandelijk geworden, 't Vreemde land en de vreemde stad verheugden zich in zijn smart.

„Wees niet boos op Vader, kindje, omdat hij je meenam naar dit onbarmhartig land," zei hij.

„Als dit thuis gebeurd was," ging hij voort, „zou 't bosch geschreid hebben en de bergen hadden gejammerd. Maar dit is een onbarmhartig land."

Hij liep langzamer, om zijn hart te sparen, dat geen kracht scheen te hebben 't bloed door het lichaam te drijven. Hij voelde zich hulpeloos en wanhopig en vooral voelde hij een grooten angst, omdat hij zoo ver weg in een vreemd land was, waar niemand zich over hem hoefde te ontfermen.

Toen ging hij om den hoek langs den oostelijken muur. 't Dal van Josafat met zijn vele graven lag beneden hem.

„En hier zal 't laatste oordeel zijn en zullen de dooden worden opgewekt," dacht hij.

„Wat zal God tot mij zeggen op den dag des oordeels? Tot mij, die de mijnen bracht in deze stad des doods?" vroeg hij zich af.

„En ik heb ook mijn buren en verwanten overgehaald om naar deze stad der verschrikking te reizen. Zij zullen mij bij God aanklagen."

Hij meende al te hooren, hoe zijn landslieden hun stem tegen hem verhieven.

„Wij vertrouwden op hem, en hij bracht ons in een land, waar we erger dan honden werden veracht; in een stad wier wreedheid ons doodde."

Hij zocht die gedachten van zich af te zetten en er niet bij te blijven stilstaan. Maar dat was hem onmogelijk. Hij zag nu opeens alle moeilijkheden en gevaren, die zijn kameraden dreigden.

Hij dacht aan de groote armoede, die spoedig over hen komen moest, omdat zij geen loon voor eenig werk aannamen. Hij dacht

263

Sluiten