Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PARADIJSBRON.

't Werd een vreesdij ke zomer in Jeruzalem, met ziekte en gebrek aan water. De winterregen was heel schaarsch geweest in dat jaar, en de heilige stad, die niet veel ander water bezat, dan 't regenwater, dat in den winter in de onderaardsche cisternen, die in alle binnenplaatsen te vinden zijn, werd verzameld, kwam al spoedig water te kort. En toen de menschen zich moesten vergenoegen met het akelige, lauwe slechte water, dat nog op den bodem der cisternen was overgebleven, namen de ziekten onrustbarend toe. Er was nauwelijks een hoeve waar niet iemand ziek lag aan pokken, roodvonk of klimaatkoortsen.

De Gordon-kolonisten kregen 't druk. Ze waren bijna allen bezig met zieken oppassen. Wie van hen lang in Jeruzalem gewoond had, scheen niet vatbaar voor besmetting. Zij gingen ongehinderd van 't eene ziekbed naar 't andere. Zweedsche Amerikanen, die de heete zomers in Chicago hadden doorgemaakt en gewend waren stadslucht in te ademen, boden ziekten en inspanning met goed gevolg weerstand. De arme boeren uit Dalecarlië werden bijna allen ziek.

In 't begin scheen 't niet zoo gevaarlijk. De meesten bleven op de been, al konden ze ook niet werken. Hoewel ze mager werden en aldoor koorts hadden, geloofde niemand, dat dit meer dan een voorbijgaande ongesteldheid was. Maar na een week stierf Birger Persons weduwe, en kort daarop een van zijn zonen. Op denzelfden tijd vertoonden zich nieuwe ziektegevallen, 't Scheen alsof alle Dalecarliërs zouden heengaan. Alle zieken hadden 't zelfde brandend verlangen. Ze smeekten allen om een dronk water, om een mondvol frisch, schoon water, 't Was alsof ze niet anders noodig hadden om weer beter te worden.

Maar als men hun water uit de cisternen aanbood, wendden zij 't hoofd af en wilden 't niet eens zien! Al was het gefiltreerd

265

Sluiten