Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men kon aan Ljung Björn merken, dat het hem zeer verkwikte over dat groote water te praten, dat eens voorbij Jeruzalem gestroomd had. Hij had zeker altijd dien stroom in zijn gedachten, 't Meest sprak hij over de plaats in den bijbel, waar verteld werd, dat David door Kidron gewaad was, toen hij voor Absalom vluchtte. Ljung Björn beschreef den anderen hoe heerlijk 't zou zijn met bloote voeten door koel, stroomend water te loopen. „Dat zou ik nog liever doen dan drinken," zei hij.

Ljung Björn had nog veel van Kidron te vertellen, toen zijn zwager Kolas Gunnar hem in de rede viel. Gunnar zei, dat hij niet veel om Kidron gaf, die nu weg en uitgedroogd was. Maar hij had al van 't begin van dezen zwaren tijd af, gedacht aan een profetie van Ezechiël; zeven en veertigste kapittel, eerste en volgende verzen. Die sprak van een rivier, die ontspringen zou bij den drempel van den tempel, en over de hei heel tot de Doode Zee stroomen.

Kolas Gunnar schudde de zware lokken van zijn voorhoofd, terwijl hij sprak; zijn oogen glinsterden, en hij vertelde zóó, dat alle boeren de waterleiding zagen, die van Jeruzalem naar beneden kwam. Het water kwam zacht ruischend door een steenen goot glijden. Van daar verspreidde het zich in een menigte kleine stroompjes over 't groene grasveld. Wilgen en populieren groeiden aan de oevers, groote waterplanten met dikke bladen hingen over den waterspiegel. Op den bodem van de steenen goot lagen kleine, witte steentjes, en 't water glansde en fonkelde, terwijl 't daar overheen vloeide.

„En dat moet gebeuren," barstte Kolas Gunnar uit. ,,'t Is een profetie van God, en die is nog niet vervuld. Ik loop er aldoor aan te denken, dat die evengoed vandaag als morgen vervuld kan worden."

Maar toen Hök Gabriël Mattson, die er ook bij was, dat hoorde, werd hij levendig, leende den bijbel van Ljung Björn en las enkele verzen uit de Kronieken voor.

„Let nu op," zei hij, „dat is 't merkwaardigste, wat ik ooit gehoord heb." En hij las hun voor, dat het in den tijd van koning Hiskia bekend werd, dat Sanherib optrok, om Jeruzalem te belegeren. Toen had Hiskia zijn hoofdmannen en zijn dapperste mannen bijeengeroepen en met hen beraadslaagd, en zij hadden allen gezegd: „Dat is niet goed, dat de Assyriërs zooveel water vinden, als zij komen om de stad te belegeren." Toen was Hiskia uitgegaan met een groote schare, en had het water om Jeruzalem gedempt, den grooten stroom, die door 't land ging, en alle bronnen.

Toen Gabriël dat voorgelezen had, zag hij uit over de kale velden, die de kolonie omgaven. „Ik heb veel gedacht over dit verhaal," zei hij, „en ik heb er de Amerikanen naar gevraagd. En nu zal ik jelui zeggen, wat ik te weten gekomen ben."

267

Sluiten