Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar heerschte niet die orde en netheid, die er gewoonlijk bij vergaderingen was. Niemand was gaan zitten, maar de menschen stonden in groepen bij elkaar te praten. Allen waren ontroerd, maar wie het levendigst sprak was Hellgum, men kon voelen, dat hij, die de boeren overgehaald had om naar Palestina te gaan, gekweld werd door de zware verantwoording, die hij op zich geladen had. Hij ging van den een naar den ander, en drong op de thuisreis aan.

Mrs. Gordon was heel bleek. Zij zag er moe en lijdend uit. Ze scheen zoo weinig te weten wat ze wilde, dat ze bang was de beraadslaging te beginnen. Niemand had haar ooit zoo besluiteloos gezien.

De meeste boeren zwegen. Ze schenen te ziek en te bedrukt om zelf een besluit te nemen. Ze stonden te wachten, tot anderen hun zouden zeggen wat ze doen moesten.

Een paar jonge Amerikaansche meisjes waren heelemaal buiten zichzelf van medelijden. Zij schreiden en smeekten, dat men die zieke menschen naar huis zou zenden, dat men ze niet zou laten sterven.

Terwijl men 't levendigst al het vóór en tegen besprak, ging de deur bijna geluidloos open, en Karin Ingmarsdochter kwam binnen. Karin Ingmarsdochter liep nu heelemaal voorovergebogen. Zij was heel oud geworden; haar gezicht was klein en gerimpeld en haar haar was heelemaal grijs.

Sinds den dood van Halfvor verliet Karin maar heel zelden haar kamer. Ze zat daar alleen in een grooten stoel, die Halfvor voor haar gemaakt had. Soms zat ze te naaien en te verstellen voor haar twee kinderen, die ze nog over had, maar meestal zat ze met de handen gevouwen voor zich uit te staren.

Niemand kon bescheidener de kamer binnenkomen dan Karin, maar hoe 't ook kwam, 't werd stil, toen ze kwam, en allen keerden zich om en zagen haar aan.

Karin liep langzaam en ootmoedig voort. Ze ging niet midden door de kamer, maar sloop langs den muur, tot ze bij Mrs. Gordon kwam.

Mrs. Gordon ging haar een paar stappen tegemoet en reikte haar de hand.

„Wij zijn hier bijeengekomen om over de thuisreis te spreken," zei Mrs. Gordon tot haar. „Hoe denk je daarover, Karin?"

Karin zonk een oogenblik ineen, alsof ze een slag gekregen had. In haar matte oogen blonk het sterkste verlangen. Zeker zag ze de oude hoeve voor zich, en dacht ze er aan, dat ze nog eens bij den haard in de groote kamer zou zitten, of aan 't hek slaan, en de kudde naar de wei zou zien drijven op een lentemorgen.

271

Sluiten