Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Waarom geef je me dan geen water?" snikte Gertrud. „Ik ben enkel ziek van dorst. Ik zou beter worden, zoodra ik maar goed water kreeg."

„Er is geen beter water dan dit te krijgen, in heel Jeruzalem," antwoordde Betsy bedroefd. Gertrud luisterde niet.

,,'t Zou zoo erg niet zijn, als ik niet wist, dat hier goed water was," jammerde ze luid. „Dat ik nu van dorst moet sterven, terwijl er in Jeruzalem een heele put vol frisch, helder water is."

Bo sprong op, toen hij dat hoorde, en zag Betsy vragend aan. 't Meisje haalde de schouders op, en schudde het hoofd: „Och, dat verbeeldt ze zich maar," scheen ze te zeggen; maar toen Bo er verwonderd uit bleef zien, trachtte ze Gertrud te laten verklaren, wat ze bedoelde.

„Ik geloof niet, dat er nu goed water te krijgen is in Jeruzalem," zei ze.

„Wonderlijk, dat je zoo'n slecht geheugen hebt," zei Gertrud, „of was je er misschien niet bij, toen we dien dag de oude plaats zagen, waar de tempel van de Joden gestaan heeft?"

„Ja, daar was ik bij."

,,'t Was niet in de moskee van Omar," zei Gertrud nadenkend, „neen, 't was niet in die mooie moskee midden op de plaats, maar 't was in de oude, leelijke, die aan den eenen kant lag. Weet je niet, dat daar een put was?"

„Ja, dat weet ik wel," zei Betsy, „maar ik begrijp niet, dat je gelooft, dat daar beter water is dan ergens anders in de stad'.'

,,'t Is toch vreeselijk, dat ik zooveel praten moet, nu ik zoo'n brandenden dorst heb," klaagde Gertrud. „Je hadt toch wel kunnen luisteren naar wat Miss Young van den put vertelde."

't Deed haar werkelijk pijn met die droge lippen en brandende keel te praten, maar vóór Betsy had kunnen antwoorden, was ze druk bezig te vertellen, wat ze van dien put wist:

„Die put is de eenige in Jeruzalem, die altijd goed water heeft," zei ze. „En dat komt, omdat hij zijn bron in 't paradijs heeft."

„Ik zou wel eens willen weten, hoe of jij of iemand anders dat weten kan," zei Betsy en glimlachte.

„Ja," ging Gertrud heel ernstig voort, „dat weet ik. Zie je, Miss Young sprak van een armen waterdrager, die in een fel drogen zomer in de oude moskee kwam om water te halen. Hij maakte zijn emmer aan den haak van 't touw vast, dat boven den put hing, en liet hem neer. Maar toen de emmer tegen den waterspiegel sloeg, viel hij van den haak en zonk neer op den bodem van den put. Nu kan je wel begrijpen ,dat de man zijn emmer niet verliezen wou."

„Ja, dat begrijp ik," zei Betsy.

274

Sluiten