Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschen tot nu toe gezien hebben, en daarom wilden zijn vrienden dadelijk in den put worden neergelaten. Maar zie, nu was 't water teruggekomen, en hoe diep ze ook doken, ze konden den bodem niet bereiken."

„Ja, toen kreeg niemand meer 't Paradijs te zien," zei Betsy. „Neen, niemand meer Maar sinds dien tijd is 't water nooit meer weg geweest, zoodat — hoewel velen, ontelbaar velen, 't geprobeerd hebben — niemand ooit weer op den bodem van den put gekomen is."

Gertrud zuchtte diep. Toen begon ze opnieuw: „Zie je, 't is de bedoeling zeker niet, dat we in dit leven al het Paradijs zullen zien."

„Neen, zeker niet," stemde Betsy toe.

„Maar 't voornaamste is, dat we weten, dat het ligt te slapen en op ons te wachten. En nu kun je toch wel begrijpen, dat er altijd helder, frisch water is in dien put, die zijn bronnen in 't Paradijs heeft."

„Ach, kon ik je toch maar van dat water bezorgen, waar je zoo naar verlangt," zei Betsy en lachte weemoedig.

Juist terwijl ze dat zei, deed een van haar zusjes de deur open en wenkte haar.

„Betsy, Moeder is ziek," zei het kind, „ze ligt aldoor om jou te roepen."

Betsy zag aarzelend rond, en wist niet of ze Gertrud alleen kon laten; maar opeens nam ze een besluit, en wendde zich tot Bo, die nog altijd bij de deur stond.

„Je wilt wel even bij Gertrud blijven en haar oppassen, tot ik weerom kom," vroeg ze.

„Ja," antwoordde Bo. „Ik zal haar oppassen, zoo goed ik kan."

„Probeer maar haar te laten drinken," fluisterde Betsy terwijl ze heenging, „dat ze die gedachte loslaat, dat ze van dorst sterven zal."

Bo ging op Betsy's plaats aan 't bed zitten. Gertrud scheen 't niet te kunnen schelen, of hij daar zat of Betsy. Ze bleef aldoor over dien Paradij sput praten en lag zich voor te stellen, hoe verkwikkend frisch en helder dat water wel wezen zou.

„Zie je, Bo, ik kan Besty niet overtuigen, dat het water in dien put beter is dan eenig ander hier in de stad," klaagde zij. „Daarom doet ze geen moeite om 't voor me te krijgen."

Bo was heel nadenkend geworden. „Ik zit er over te denken, of ik dat water niet voor je kan gaan halen."

Gertrud schrikte hevig en greep hem bij de mouw van zijn jas om hem tegen te houden.

„Ach neen, daar moet je niet aan denken. Ik klaag alleen over Betsy, omdat ik zoo'n dorst heb. Ik weet immers al te goed,

276

Sluiten