Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zij me dat water uit dien Paradijsput niet bezorgen kan. Miss Young zei immers, dat de Mohammedanen dien voor zóó heilig houden, dat ze geen Christen toestaan daar water uit te halen."

Bo zat een poos stil te peinzen: „Ik kon me wel als Mohammedaan verkleeden," stelde hij voor.

„Je moet er niet aan denken," zei Gertrud. „Dat is heel dwaas van je."

Maar Bo wilde zijn plan niet opgeven.

„Ik zal eens met den ouden schoenmaker spreken, die hier in de kolonie onze schoenen zit te lappen. Ik denk wel, dat ik zijn kleeren zal mogen leenen."

Gertrud lag stil na te denken.

„Is de schoenmaker vandaag hier?" vroeg ze.

„Ja," zei Bo.

„Ach, daar kan toch niets van komen," zei Gertrud zuchtend.

„Mij dunkt, ik moest nu vanmiddag gaan, dan is er geen gevaar, dat ik een zonnesteek krijg," zei Bo.

„Maar ben je niet vreeselijk bang? Je moet weten, dat ze je doodslaan, als ze merken, dat je een Christen bent."

„Och, ik ben niet bang, als ik maar goed verkleed ben met een rooden fez en een witten tulband, je weet wel, met zoo'n paar oude, gele sloffen aan de voeten en de kleeren opgetrokken, zooals waterdragers gewoonlijk hebben."

„Maar waar wil je 't water in dragen?"

„Ik neem een paar van onze groote koperen emmers, en hang ze aan een juk over de schouders," zei Bo.

Hij meende te merken, dat Gertrud nieuwe kracht kreeg bij 't vooruitzicht, dat hij 't water zou gaan halen, al maakte ze ook allerlei bezwaren; maar op 't zelfde oogenblik zag hij in, hoe volslagen onmogelijk de heele onderneming was: „Goede hemel: ik kan geen water op de tempelplaats gaan halen, die de Mohammedanen voor zóó heilig houden, dat een Christen die nauwelijks betreden mag," dacht hij. „De broeders van de kolonie zullen me niet toelaten het te probeeren, al zou ik 't ook nog zoo graag willen. En 't dient ook nergens voor, want 't is zeker even slecht water daar in dien Paradijsput, als overal elders."

Terwijl hij daarover dacht, werd hij verrast doordat Gertrud zei: „Er zijn zeker maar heel weinig menschen op den weg om dezen tijd van den dag."

„Nu verwacht ze zeker, dat ik gaan zal," dacht Bo. „Dat ziet er mooi uit. En Gertrud kijkt zoo opgeruimd, dat ik haar niet durf zeggen, dat het allemaal onmogelijk is."

„Ja, dat is waar," zei Bo aarzelend, ,,'t Zou nog wel goed gaan, tot ik aan de Damascuspoort kwam, als ik maar geen van de kolonisten tegenkom."

277

Sluiten