Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat ik geen inboorling ben. Neen, ik blijf staan luisteren, alsof ik begrijp waarover ze 't hebben."

„Wat zou dat geven? Je verstaat er toch niets van."

„Ik zou er wel zooveel van verstaan, dat ze praatten over iemand, die gestolen heeft. En als dan allen begrijpen, dat ze niets meer van den dief daar te zien zullen krijgen, gaat die menschenmassa uiteen en ik loop door. Nu moet ik alleen nog 't donkere poortgewelf door, en dan ben ik op de tempelplaats; maar ik ben er zeker van, dat juist, als ik over een kind zal stappen, dat midden op de straat ligt te slapen, een jongen zijn been uitsteekt, ik struikel en begin in 't Zweedsch te vloeken. Ik word gruwelijk bang, dat begrijp je, en kijk tersluiks naar de jongens, of ze niets gemerkt hebben; maar ze liggen even onverschillig als daar straks en wentelen zich in 't vuil."

Gertruds hand bleef over die van Bo liggen en hij werd daar zoo gelukkig door, zóó opgewekt, dat hij alles zou kunnen zeggen en doen om haar te behagen.

Hij vond dat 't net was, alsof hij aan een kind een verhaaltje zat te vertellen, en hij begon er pleizier in te krijgen, en sierde zijn verhaal op met allerlei avonturen. „Nu zal ik die wandeling zoo mooi maken, als ik maar kan," dacht hij, „want dat houdt haar bezig. Later zal ik dan wel wat bedenken om haar er af te brengen."

„Ja, en zoo kom ik dan in den zonneschijn op het groote, breede tempelplein," zei hij, „en ik moet je zeggen, dat ik 't eerste oogenblik jou en den put en 't water vergeet, dat ik halen zou."

„Wat in de wereld overkomt je dan?" vroeg Gertrud en lachte hem toe.

„Niets," zei Bo met groote vastheid, „alleen is 't daar zoo licht en mooi en vredig, tegenover de zwarte stad, waar ik vandaan kom, dat ik niet anders doen kan dan stilstaan en rondzien. En dan ligt daar de mooie moskee van Omar, die op den heuvel in 't midden staat, en er zijn zooveel hutjes en poortgewelven en trappen en overkluisde putten om naar te kijken. En alle brengen zooveel herinneringen mee, als ik daar op den ouden tempelhof der Joden sta, dat ik wel wou, dat die groote steenen, die den grond bedekken, konden praten en mij alles vertellen, wat daar gebeurd is."

„Maar dat is heel gevaarlijk, als je daar stilstaat en doet als een vreemde," zei de zieke.

„Gertrud wil zeker, dat ik gauw met het water terug zal komen," dacht Bo. ,,'t Is aardig zooals ze in 't verhaal is. 't Is alsof ze zich verbeeldt, dat ik wezenlijk op weg naar den Paradijsput ben."

Maar eigenlijk was 't Bo precies zoo gegaan. Hij was zóó in

279

Sluiten