Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn verhaal, dat hij de heele tempelplaats voor zich zag, en over zijn avonturen sprak, alsof ze werkelijk gebeurd waren.

„Ja, ik sta ook niet lang stil," ging hij voort, „maar ik ga voorbij Omar's moskee, en voorbij de groote donkere cypressen, die aan den zuidkant staan en voorbij 't groote waterbassin, dat zooals ze zeggen, het koperen vat van Salomo's tempel is. En overal waar ik ga, liggen menschen op den grond zich in de zon te koesteren. Hier spelen kinderen en daar slapen luiaards, en een derwisch-sheik zit op 't veld met zijn leerlingen om zich heen. Hij wiegt met zijn lichaam heen en weer, terwijl hij tot hen spreekt, en als ik hem zie, kan ik niet laten te denken: „Zoo zat Jezus eens ook op deze zelfde tempelplaats en onderwees zijn leerlingen." En terwijl ik daar sta en hierover denk, kijkt de derwisch-sheik op en ziet me aan."

„Als hij maar niet ziet, dat je geen echte waterdrager bent," zegt Gertrud.

„O neen, hij is heelemaal niet verwonderd, als hij me ziet, maar onmiddellijk daarna moet ik voorbij een paar echte waterdragers, die water uit den put ophalen. Zij roepen mij aan en ik keer me om en wijs hun, dat ik in de moskee wezen moet. En dan wordt het opeens heel stil achter me."

„Als ze nu eens begrijpen, dat je geen Muzelman bent."

„Ik keer me nog eens om, om naar hen te zien, en dan staan ze met de ruggen naar mij toegekeerd te praten."

„Ze hebben misschien wat in ,'t oog gekregen, dat merkwaardiger was om te zien dan jij," zei Gertrud.

„Ja, dat hebben ze zeker. En dan ben ik eindelijk bij de oude moskee van El Aksa, waar de Paradijsbron is," ging Bo voort, „en ik ga juist voorbij die twee pilaren aan de poort, waar de menschen van zeggen, zooals je weet, dat niemand tusschen hen door kan komen, die geen rechtvaardige is. Ik zeg tegen mezelf, dat ik maar niet probeeren zal om tusschen die pilaren daar door te gaan, omdat ik gekomen ben om water te stelen."

„Hoe kun je zoo denken," viel Gertrud in. „Dat is zeker 't beste, wat je in je heele leven gedaan hebt."

Gertrud lag nu met een gelukkige uitdrukking van hoop op 't gezicht. Ze had zooveel koorts, dat ze niet uit elkaar kon houden wat werkelijk en wat onwaar was, en ze was heelemaal in de voorstelling verdiept, dat Bo op weg was om water van de Paradijsbrpn te halen.

„Dan laat ik mijn muilen staan en ga in de moskee van El Aksa," ging Bo voort. Hij vond, dat 't al heel gemakkelijk ging dat verhaal te bedenken, maar hij voelde met grooten angst, dat hij Gertrud bijna niet zou kunnen zeggen, dat hij haar in werkelijkheid 't water niet zou kunnen bezorgen.

280

Sluiten