Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, nu de man er zich overhéén buigt, zie ik een paar takken op 't water drijven."

„Ja, juist," zei Gertrud, „ik dacht wel, dat het zoo gaan zou. En aan de takken zitten op elkaar geplakte grijze bladen, zie je dat niet?"

„Ja, dat zie ik."

„Hij is een soort van wonderdoener, die derwisch." „Ja, dat is hij zeker," bevestigde Bo. „En goed en barmhartig is hij ook."

„Als hij zich nu neerbuigt en de takken opheft en ze in de lucht houdt," zegt Gertrud, „ontplooien de bladen zich en worden prachtig groen."

„En dan barst 't volk uit in een uitroep van verrukking," voegt Bo er haastig bij, „en met de mooie bladen in de hand gaat de derwisch naar den moskeebestuurder. Hij wijst op de takken, en hij wijst op mij. 't Is best te begrijpen, dat bij zegt: „Die Christen daar heeft bladen en takken uit het paradijs gehaald. Begrijp je dan niet, dat hij onder Gods bescherming staat? 't Gaat niet aan hem te vermoorden."

En dan komt hij op mij toe, aldoor met de stralende bladeren in zijn hand. Ik zie hoe ze schitteren in de zon, en van kleur veranderen; nu eens zijn ze rood als koper, dan weer blauw als staal. Hij helpt me 't juk op den schouder nemen, en geeft me een teeken om heen te gaan. En ik ga zoo gauw ik kan, maar ik kan niet laten dikwijls om te zien. En aldoor staat hij daar en houdt de steeds van kleur veranderende bladeren in de hoogte, en 't volk staat stil naar hem te kijken. En zoo staat hij nog, als ik de tempelplaats af ga."

„O, God zegene hem," zei Gertrud. Ze lag tegen Bo te glimlachen. „Nu zul je wel goed thuis komen met het water uit de Paradijsbron."

„Ja," antwoordde Bo, „nu is er geen bezwaar meer; nu kom ik goed en wel thuis."

Op dat oogenblik lichtte Gertrud vol verwachting het hoofd op en lachte weer. „Groote God! ze denkt, dat ik 't water al hier heb," dacht Bo. ,,'t Was toch ellendig van me, dat ik haar bedroog. Nu sterft ze zeker, als ik haar zeg, dat 't water waar ze naar verlangt, hier niet is."

In zijn angst nam hij 't waterglas, dat op de tafel stond, 't zelfde dat Betsy even van te voren Gertrud had aangeboden, en reikte 't haar toe. „Wil je nu 't water uit het Paradijs proeven, Gertrud?" zei hij en zijn stem beefde van angst. Hij was bijna verschrikt, toen Gertrud overeind ging zitten en met beide handen naar 't glas greep. Ze dronk het halve glas met groote graagte uit.

„God zegen je!" zei ze, „nu blijf ik wel in 't leven."

283

Sluiten