Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INGMAR INGMARSEN.

Op een Zondagmiddag, toen de boeren uit Dalecarlië anderhalf jaar in Palestina geweest waren, hielden alle kolonisten gezamenlijk godsdienstoefening, 't Ging tegen Kerstmis, en de winter was gekomen, maar 't was een warme, zachte dag, zoodat de vensters van 't groote vereenigingslokaal openstonden.

Midden onder 't zingen van een van Sankey's liederen, werd er aan de poort gebeld, 't Was een zacht, nederig bellen, maar één tikje; als de vensters niet opengestaan hadden, zou niemand het gehoord hebben. Een van de jonge mannen, die dicht bij de deur zat, ging opendoen, en niemand dacht er over wie dat wel wezen zou.

Een poos later hoorde men zware stappen langzaam en voorzichtig de marmeren trap opkomen. Toen de aankomende de bovenste tree bereikt had, bleef hij lang staan. Hij scheen zich te bedenken, eer hij met nog grooter aarzeling over den marmeren vloer van de groote open vestibule buiten 't vereenigingslokaal ging. Eindelijk legde hij zijn hand op den knop van de deur en drukte dien naar beneden. Toen deed hij de deur heel zacht open, zoowat tot op een halven duim — verder scheen hij niet te kunnen komen.

Toen ze de stappen eerst hoorden, hadden de Zweedsche boeren heel onwillekeurig wat zachter gezongen, om beter te kunnen hooren, en nu keken zij allen om naar den ingang. Die voorzichtige manier van een deur opendoen was hun allen zoo heel bekend. Ze vergaten heelehaal, waar ze waren. Ze dachten, dat ze thuis in Dalecarlië zaten, in een van hun eigen kleine huisjes. Maar oogenblikkelijk kwamen ze tot zich zelf, en keken weer in hun gezangboeken.

De deur gleed nu zacht en geluidloos open, zonder dat wie er ▼oor stond zich nog zien liet. Bij Karin Ingmarsdochter en een

285

Sluiten