Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik ben blij dat je bij me gekomen bent: nu kan ik eens hoeren hoe het thuis gaat," zei ze.

„Ja," antwoordde Ingmar, „ik denk, dat er veel is, waar je wat van zult willen weten."

,,'t Is altijd zoo met de menschen in ons dorp geweest," zei Karin, en ze sprak langzaam, als iemand, die zich ergens in tracht te verplaatsen, wat ver buiten zijn gedachtenkring ligt, „dat ze iemand willen hebben, dien ze volgen kunnen. Eerst was het Vader, toen Halfvor: ik zou wel eens willen weten wie het nu was."

Karin had nauwelijks die vraag gedaan of Ingmar sloeg de oogen neer, en bleef stil zitten zonder een spier op zijn gezicht te vertrekken.

„Misschien is 't nu de dominee," raadde Karin.

Ingmar bleef stijf en strak zitten en antwoordde niet.

„Ik heb ook al gedacht, of 't Per, de broer van Ljung Björn, zou wezen, die de voornaamste man in de heele gemeente is," hield Karin aan, maar ook nu kreeg ze geen antwoord.

„Ik weet wel," begon ze opnieuw, „dat het de gewoonte was, dat de menschen zich naar den heer des huizes op Ingmarshoeve richtten, maar niemand kan verlangen, dat ze zich zullen laten sturen door iemand, die zoo jong is als jij."

Ze hield op en eindelijk gaf Ingmar antwoord:

„Je weet wel, dat ik te jong ben om in den raad of de jury benoemd te te worden."

„Men kan de menschen ook wel besturen, zonder een ambt te hebben," zei Karin.

„Ja," antwoordde Ingmar, „dat is ook zoo."

Toen Ingmar dit zei, voelde Karin een groote blijdschap. „Ach! nu hoef ik hier niet meer naar te vragen," dacht ze, maar ze kon niet laten er blij om te zijn, dat de oude macht en 't aanzien van haar geslacht op Ingmar was overgegaan.

Ze richtte zich op in den stoel, en begon op vaster toon te spreken dan tot nu toe:

„Ik dacht wel, dat de menschen verstandig zouden wezen en begrijpen, dat je goed gedaan hebt door de hoeve over te nemen," zei ze.

Ingmar zag Karin lang aan. Hij begreep wat ze met die woorden bedoelde. Ze was zeker bang geweest, dat de gemeenteleden hem verachten zoüden, omdat hij Gertrud ontrouw geworden was.

„God heeft me niet op die manier gestraft," zei hij.

„Als het dat niet is, dan heeft hij een ander groot verdriet gehad," dacht Karin. Ze bleef een heele* poos stil zitten nadenken; zij leefde zich met groote moeite in de gedachten en gevoelens in, die ze in 't oude land gehad had.

„Ik zou wel eens willen weten, of er niemand in de gemeente

288

Sluiten