Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij onze leer gebleven was?" vroeg Karin. „Misschien een of twee, meer niet."

„Ik dacht altijd, dat nog een paar de stem van God zouden hooren en ons volgen," zei ze en zag Ingmar vorschend aan.

„Neen," zei Ingmar, „voor zoover ik weet heeft niemand Gods roepstem gehoord."

„Toen ik je gisteren zag, dacht ik, dat je de genade van God ontvangen hadt," zei Karin.

„Neen, daarom ben ik niet hier gekomen."

Karin hield een poos op met vragen. Toen begon ze weer — voorzichtiger, alsof ze bang was voor het antwoord. „Nu is er zeker niemand meer in 't dorp, die nog aan ons denkt."

Hierop antwoordde Ingmar een beetje verlegen: „Nu is er natuurlijk niet zooveel verdriet meer als in 't begin."

„Zoo? was er verdriet?" zei Karin. „Ik dacht, dat ze 't prettig vonden, dat ze ons kwijt waren."

„Ach neen, ze waren bedroefd en jelui werden gemist," antwoordde Ingmar. ,,'t Duurde heel lang, eer de menschen, die jelui buren waren, aan de vreemden, die in je plaats kwamen wonen, gewend waren.

Ik weet, dat Börs Berit Persdochter, de buurvrouw van Ljung Björn, van den winter eiken avond uitging en om het huis liep, waar ze gewoond hadden."

Karin zei heel voorzichtig: „Dan was Börs Berit zeker wel 't meest bedroefd?"

„Ach neen," zei Ingmar met harde stem, „er was een ander, die verleden herfst eiken avond, als 't ruw en donker weer was, de beek afroeide naar 't huis van den schoolmeester, en op een steen van den oever ging zitten, waar Gertrud gewoonlijk zat, als de zon onderging."

Karin meende nu te weten, waarom Ingmar zoo oud geworden was, en bracht gauw het gesprek op iets ander.

„Bestuurt je vrouw de hoeve, terwijl je weg bent?" vroeg ze.

„Ja," antwoordde Ingmar.

„Is ze een goede huishoudster?" ging Karin voort. „Ja," antwoordde Ingmar weer.

Karin streek met de hand langs haar boezelaar, eer ze weer sprak.

Nu meende ze zich te herinneren, dat de zusters haar verteld hadden, dat er iets niet in orde was tusschen Ingmar en zijn vrouw.

„Heb jelui geen kinderen?" vroeg ze eindelijk. „Neen," zei Ingmar, „die hebben we niet."

Karin was nu ten einde raad; — ze streek maar aldoor met de handen over haar boezelaar. Ze kreeg lust Ingmar ronduit te

Jeruzalem. 19

289

Sluiten