Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laar hem zijn ouden knol gaf en 't goede, jonge paard in de plaats kreeg. Nooit in zijn leven had hij zoo'n mooi dier onder tuig gebracht.

Geen dag begon zoo slecht en eindigde zoo goed als deze," zei hij, toen hij in zijn wagen stapte om naar huis te rijden.

't Was niet ver van de markt naar zijn huis. Hij kwam nog aan, eer de schemering viel. Toen hij zijn hek inreed, zag hij, dat velen van zijn oude vrienden, paardenhandelaars uit verschillende gemeenten, hem voor zijn huis stonden op te wachten. Zij waren heel opgewekt en toen hij kwam aanrijden, begonnen zij te schreeuwen, hoera! te roepen en schaterden van 't lachen.

„Waar heb jelui zoo'n plezier om, jongens?" vroeg de paardenhandelaar en hield de teugels in.

„O," zeiden ze, „we hebben je hier opgewacht, om te zien, of 't dien kerel gelukt was je zijn blind veulen op te doffelen. Wij kwamen hem tegen, toen hij naar de markt reed, en hij wedde met ons, dat hij je beet zou nemen."

De paardenhandelaar sprong uit de kar, ging voor 't paard staan en gaf het een vreeselijken slag met den stok van de zweep vlak tusschen de oogen. Het dier maakte geen beweging om den slag te ontgaan. De mannen hadden gelijk, 't Was volslagen blind.

Toen werd de paardenhandelaar zóó boos en wanhopend, dat hij zijn verstand verloor. Terwijl zijn kameraden voortgingen met spotten en schateren, spande hij 't paard uit, nam toen de teugels en joeg het een heuvel met steile helling op, die achter zijn huis lag. Hij schreeuwde en joeg, en 't dier liep vlug voort, maar toen het op den heuvel kwam, bleef het staan en wilde niet verder. Daar boven was een kloof in den heuvel en daar was een onmetelijke diepte, een wijde groeve, waar de heele gemeente jaren lang zand en steenen uit gehaald had. 't Paard moet gevoeld hebben, dat 't veld daar hol klonk; 't wilde niet voort. De man sloeg en dreef, 't paard werd al banger, ging op de achterpooten staan, maar voort wilde 't niet. Eindelijk toen 't geen raad meer wist, nam 't een grooten sprong, alsof 't meende, dat 't voor een sloot stond, en hoopte den overkant te bereiken. Maar toen 't geen overkant bereiken kon, en geen grond onder de voeten voelde, schreeuwde 't hard en akelig, en een seconde later lag 't met gebroken nek op den bodem van de groeve. De paardenhandelaar keek zelfs niet naar 't dier om, maar ging naar zijn vrienden terug.

„Nu," zei hij, „nu zijn jullie klaar met lachen. Maakt nu, dat je wegkomt, en vertel hem, met wien je gewed hebt, hoe 't met zijn paard ging."

Maar zie jelui, de historie is nog niet uit," ging Fait voort, „maar nu moet jelui opletten, kinders, wat later gebeurde. De

295

Sluiten