Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrouw van dien man kreeg een poos later een zoon, en hij was zoo'n stumper, die geen verstand heeft en bovendien was hij blind. En dat was niet alles: alle zonen, die de vrouw later kreeg, waren idioot en blind. Maar de dochters waren flink en mooi en deden een goed huwelijk."

Ingmar had al dien tijd als betooverd staan luisteren. Nu maakte hij een beweging, als om zich los te rukken, maar toen de oude man doorsprak, bleef hij staan.

„En ook daarmee was 't niet uit," hernam Fait, „want toen de getrouwde dochters kinderen kregen, waren alle zonen blind en idioot, maar de dochters waren flink en mooi en hadden een uitstekend verstand.

„En zoo is 't gebleven tot op dezen dag. Allen, die met dochters uit dat geslacht trouwen, krijgen idioten tot zonen. En daarom hebben de menschen dien heuvel den Treurheuvel genoemd, en een anderen naam krijgt die zeker nooit."

Toen Fait zijn verhaal uit had, kwam Ingmar haastig op Ljung Björn toe en vroeg hem, of hij hem pen en papier bezorgen kon. Björn keek wat verbaasd. Ingmar streek zich over het voorhoofd en zei, dat hij een gewichtigen brief te schrijven had, hij had 't dien morgen heelemaal vergeten; maar als hij nu vanavond schrijven kon, zou hij den brief morgen met den eersten trein verzenden.

Ljung Björn gaf hem, wat hij wenschte en, om Ingmar rustig te laten zitten, nam hij hem mee naar de timmermanswerkplaats. Daar stak hij een lamp aan en zette een stoel bij de schaafbank.

„Nu kun je rustig zitten schrijven, al was 't den heelen nacht," zei hij, toen hij heenging.

Zoodra Ingmar alleen was, strekte hij de armen uit, als iemand, die sterk verlangt, en hij steunde luid.

„Ach! ik geloof niet, dat ik het uithouden kan," zuchtte hij. „Ik kan 't niet uithouden, wat ik op me genomen heb.

Ik kan nacht en dag aan niemand anders denken, dan aan haar die ik verlaten heb. En 't ergste is, dat ik niet geloof, dat ik iets voor Gertrud doen kan."

Hij zat een poos diep in gedachten, dan glimlachte hij in zichzelf.

,,'t Is altijd zoo: als iemand in angst en twijfel zit, ziet hij in alles een teeken en een vingerwijzing. Maar wonderlijk is het, dat Fait nu juist dat verhaal vertelde, 't Was alsof God me wilde aanwijzen wat ik doen moest."

Hij zat nog een poos na te denken en greep naar de pen, „In Gods naam dan," zei hij, en begon te schrijven.

296

Sluiten