Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er niet op, hoe ze haar werk deed, of de huishouding goed of slecht ging. Hij dacht zooveel aan de andere, dat hij er heelemaal niet aan dacht, dat zijn vrouw bestond. Zij was niet anders dan een stuk van de roerende goederen, die bij de hoeve behoorden. Ze moest maar zien, hoe ze er kwam, hij wilde geen last meer van haar hebben.

Maar er was ook nog wat anders, dat maakte, dat die man zijn vrouw niet hoog achtte. Hij vertrouwde haar niet, omdat zij hem had willen nemen, terwijl ze wist, dat hij een ander liefhad. Er moest wel iets aan haar haperen, dacht hij, dat haar vader op die manier — om 't bij den naam te noemen — een man voor haar koopen moest.

Als die man ooit op zijn vrouw lette, was 't om haar met de andere te vergelijken, die hij verloren had. Hij zag wel, dat zijn vrouw er goed uitzag, maar ze was niet zoo mooi als zij, die hij had moeten missen. Ze liep niet zoo vlug, en ze kon haar handen niet zoo sierlijk bewegen, en ze kon niet over zooveel mooie en vroolijke dingen praten. Ze ging stil en geduldig rond en deed haar werk; — daar deugde ze voor.

Ik moet toch tot verontschuldiging van dien man zeggen, dat hij met zijn vrouw niet kon praten over dat, waar hij 't meest aan dacht — hij kon haar niet toevertrouwen, dat hij aldoor liep te denken aan haar, die hij boven alles liefhad, en die naar vreemde landen getrokken was. Dat kon hij immers niet. En hij vond ook, dat hij niet met haar bespreken kon, dat hij aldoor Gods straf verwachtte, omdat hij zijn woord gebroken had, en dat hij niet aan zijn vader in den hemel durfde denken, en dat hij zich verbeeldde, dat alle menschen hem veroordeelden. Wel werd hem door allen met wie hij prak, groote achting bewezen, maar hij was zoo zwaarmoedig, dat hij dacht, dat allen hem bespotten, zoodra hij hun den rug toekeerde, en zeiden, dat hij den naam, dien hij droeg niet waard was, — en zoo meer.

Ik zal nu zeggen, hoe 't kwam, dat die man voor 't eerst merkte, dat hij een vrouw had.

't Gebeurde, toen zij een paar maanden getrouwd waren, dat die man en die vrouw op een bruiloft werden verzocht, bij een paar van hun familieleden in diezelfde gemeente, 't Was een lange rit er heen, en ze moesten een uur in een herberg wachten, om 't paard te laten rusten en het te voeren, 't Was slecht weer, en de vrouw ging naar binnen, en bleef in een van de kamers zitten wachten. De man gaf het paard water en haver, en toen kwam hij in de kamer, waar zijn vrouw zat. Hij sprak niet tegen haar, hij zat er alleen aan te denken, hoe akelig 't was onder de menschen te komen, en hij vroeg zich af, of de bruiloftsgasten hem zouden laten merken, hoe ze over hem dachten. Terwijl hij daar zichzelf

298

Sluiten