Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik zou wel eens willen weten, waar je geweest ben in zulk weer?" zei ze na een poosje, 't Was voor 't eerst, dat ze hem naar zooiets vroeg.

Hij zweeg en dacht: „Wat zal er nu komen?"

,J3e menschen praten er over, dat je eiken avond naar de school roeit, en daar op een steen aan den kant van de rivier gaat zitten, en je urenlang niet beweegt."

„Laat de menschen maar praten," zei de man en zag er even onverschillig uit; maar 't ergerde hem toch, dat hij nagegaan werd.

„Ja, maar dat is toch niet prettig om te hooren voor een vrouw."

„Ach," zei de man, „wie zich een man gekocht heeft, kan niet beter verwachten."

Zijn vrouw stond te probeeren om een jasmouw om te keeren, die heel stijf was, zoodat ze er groote moeite mee had. De man keek op, om eens te zien, hoe zij opnam wat hij gezegd had. Hij merkte, dat ze met een glimlach op de lippen stond.

Toen ze eindelijk de mouw in orde had, zei ze: „Ach! ik had niet zooveel haast met trouwen. Vader heeft dat allemaal in orde gemaakt."

De man keek zijn vrouw nog eens aan, en toen hij haar nu in de oogen zag, dacht hij: „Ze ziet er wel uit, alsof ze weet wat ze wil."

„Ik geloof niet, dat jij je zoo makkelijk dwingen laat," zei hij.

„Och neen," zei de vrouw, „maar Vader is ook niet zoo gemakkelijk' om mee om te gaan. Den vos, dien hij met een hond niet opjagen kan, vangt hij in een val."

De man antwoordde niet; hij was alweer in zijn eigen gedachten verdiept, en hoorde nauwelijks, wat ze zei. Maar zijn vrouw dacht zeker, dat ze, nu ze zooveel gezegd had, 't beste deed met voort te gaan.

„Nu zal ik je wat zeggen," zei ze. „Vader hield altijd zooveel van Ingmarshoeve, waar hij zelf als kind gewoond had. Hij pochte altijd op de hoeve en de Ingmarsens. Ik heb van geen plaats in de wereld zooveel hooren vertellen, en ik geloof, dat ik meer weet, van allen, die hier gewoond hebben, dan jij."

Toen de vrouw zoover met haar verhaal gekomen was, stond de man op van de tafel, waar hij had zitten eten, en ging bij den haard zitten met den rug naar 't vuur, zoodat hij haar gezicht Kon zien.

„En toen ging 't met mij, zooals je weet," zei de vroüw.

„Daar hoef je niet meer over te praten," zei de man haastig. Hij schaamde zich, als hij er aan dacht, hoe hij haar daar had laten zitten en gepijnigd worden in den herberg.

„Maar je moet weten, dat, toen Stig me verlaten had, Vader zóó

301

Sluiten