Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nadat ze hem gezegd had, hoe ongerust ze was. De vrouw deed niet, alsof ze begreep, dat hij om haar thuis bleef. Ze was kalm en stil als gewoonlijk. Maar zooals dominee wel weet, was Barbro heel goed voor al de oude menschen geweest, die op Ingmarshoeve woonden. Ze waren allemaal met haar ingenomen. Toen nu de man thuis bleef en in de groote kamer met de anderen aan den haard zat, zag hij, dat Oude Lisa en Korp Bengt voortdurend zaten te smuuspelen.

Twee avonden kon de man zich zoover beheerschen, dat hij thuis bleef; maar den derden avond was het Zondag, en toen kwam zijn vrouw op den inval haar gitaar voor den dag te halen, en te zingen om den tijd te verdrijven. Dat ging een poosje goed, tot ze eindelijk een liedje begon, dat Gertrud zoo graag zong. Toen kon de man het thuis niet langer uithouden. Hij nam zijn hoed en ging heen.

Toen hij buiten kwam was 't stikdonker, en er viel een fijne, koude regen; maar dat was juist weer, zooals hij 't graag had. Hij roeide naar de school, zette zich op een steen aan den oever, en dacht aan Gertrud en aan den tijd, dat hij zijn woord nog niet gebroken had en een eerlijk rechtschapen man was. Hij ging niet naar huis voor het over elven was. Toen zat zijn vrouw bij de rivier hem op te wachten.

Dat stond de man niet aan. Dominee weet wel, dat een man 't niet prettig vindt, als de vrouw zich ongerust maakt over hem.

Hij zei niets tegen zijn vrouw vóór ze in de kleine kamer waren.

„Je moet me laten komen en gaan, zooals ik wil," zei hij toen, en ze kon aan zijn toon wel hooren, dat hij ontevreden was, en antwoordde niet, maar haastte zich een zwavelstok aan te strijken om 't licht op te steken. Toen zag de man, dat ze druipnat was; de kleeren zaten haar vast om het lijf geplak. Ze ging eten voor hem halen, maakte den haard aan, ging toen hun bedden opmaken, en aldoor sleepten en ruischten haar natte kleeren om haar heen. Maar ze zag er niet boos of verdrietig uit. „Ik zou wel eens willen weten, of ze zóó zacht is, dat niets haar boos kan maken," dacht de man.

Hij wendde zich norsch tot haar, en vroeg: „Als ik tegen jou zoo deed als tegen Gertrud, zou je me dan vergeven?" Ze zag hem een oogenblik strak aan:

„Neen," zei ze toen, en een oogenblik bliksemden haar oogen. De man bleef zwijgend zitten. „Waarom zou ze mij niet vergeven? Ze heeft 't Stig wel gedaan," dacht hij. „Maar ze vindt zeker, dat wat ik deed erger was, omdat ik Gertrud uit eigenbelang ontrouw werd."

Een paar dagen later had de man een beitel verloren. Hij liep dien overal te zoeken, en kwam zoo in de kamer achter het brouw-

304

Sluiten