Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huis. Daar lag Oude Lisa ziek, en Barbro zat aan haar bed en las haar voor uit den bijbel. Dat was een ontzettend groote bijbel met koperen beslag en zwaren leeren band. De man bleef er naar staan kijken. „Misschien is die nog uit Barbro's ouderlijk huis," dacht hij, en ging heen. Maar een oogenblik later kwam hij terug, nam den bijbel uit de hand van zijn vrouw en sloeg de' eerste bladzij op.

Hij zag nu, dat het wezenlijk een van de oude bijbels was, die altijd op de hoeve geweest waren, en die Karin had laten verkoopen. „Waar is die vandaan gekomen?" vroeg hij.

Zijn vrouw zweeg; maar Oude Lisa antwoordde: „Heeft Barbro je niet verteld, dat zij den bijbel teruggekocht heeft?"

„Neen! heeft Barbro dien teruggekocht?" zei de man.

„Ze heeft nog wel meer gedaan," zei de oude vrouw levendig, „ga maar eens kijken in de kast in de groote kamer."

De man ging haastig 't brouwhuis uit en naar de groote kamer. Toen hij de kast opendeed, zag hij twee van de oude bekers daar op de plank staan. Hij nam ze in de hand, keerde ze om, en keek naar 't merk op den bodem. Ja, dat waren de oude bekers.

Barbro kwam binnen, terwijl hij daar stond; ze zag er verlegen uit

„Ik had wat geld op een spaarboekje," zei ze.

De man was zóó blij, als hij in lang niet geweest was. Hij ging naar haar toe en vatte haar hand: „Daar dank ik je hartelijk voor," zei hij.

Onmiddellijk daarna gooide hij 't hoofd in den nek en ging heen. Hij voelde 't als iets verkeerds, dat hij vriendelijk tegen zijn vrouw was. Hij meende aan Gertrud verplicht te zijn, dat hij de vrouw, die haar plaats had ingenomen, geen liefde of vriendelijkheid bewees. —

't Was zoowat een week later. De man kwam uit de schuur en ging naar 't huis. Op dat oogenblik deed een vreemde man het hek open en kwam de plaats op. Toen zij elkaar tegenkwamen, groette de vreemde, en vroeg of Barbro Svensdochter thuis was. „Ik ben een oude kennis van haar," zei hij.

Wonderlijk was het nu, dat de man dadelijk meende te weten wie de vreemde was.

„Dan ben je zeker Stig Börjesen," zei hij.

„Ik dacht niet, dat iemand me hier kende," zei de man. „Ik ga dadelijk weer heen, ik wilde Barbro maar even spreken. Maar zeg nu niet aan Ingmar Ingmarsen, dat ik hier geweekt ben. Misschien zou hij 't niet goedvinden, dat ik hier kwam."

„Ach, ik denk, dat Ingmar blij zou zijn, als hij je zag," zei de man. „Hij is er zeker benieuwd naar, hoe zoo'n ellendeling er wel uitziet."

Jeruzalem. 20

305

Sluiten