Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

idioten worden. En nu moet je maar hebben wat er van komt. Je kunt wel begrijpen hoe ik je uitgelachen heb, als ik er aan dacht, dat je je meisje ontrouw werd en als ik aan den Ingmar Ingmarsen denk, die na jou de hoeve zal besturen. En nu wensch ik je veel geluk met je vrouw." —

Maar terwijl Stig dicht bij den man stond en dit alles uitstootte, zag deze toevallig naar 't huis. En daar zag hij een punt van een rok door de deur steken. Hij begreep toen, dat Barbro in de gang gegaan was, toen zij zag, dat hij en Stig elkaar tegenkwamen, en dat ze daar stond en alles gehoord had. Toen werd de man bang, en de gedachte ging hem door 't hoofd: „Dat was ellendig, dat Barbro dat hoorde. Zou 't mogelijk zijn, dat nu gebeurd is, wat ik al zoolang gevreesd heb? Zou 't kunnen zijn, dat dit Gods straf is, die ik verwacht heb?"

En nu gebeurde het, dat de man voor 't eerst goed voelde, dat hij wezenlijk een vrouw had, en dat het zijn plicht was haar te beschermen. Daarom dwong hij zich nog eens tot luid lachen, en deed alsof hij heelemaal niet bezorgd was.

,,'t Was goed, dat je me dit vertelde. Nu hoef ik geen hekel meer aan je te hebben."

„Zoo," zei Stig. „Neem je het zoo op?"

„Ja, je meent toch niet, dat ik even dom zal zijn als jij, en mijn geluk verspelen zal om al die malle praatjes?"

„Nu, dan heb ik je niets meer te zeggen," zei Stig. „Ik hoop, dat je over een jaar nog zoo zeker van je zaak zult zijn."

„Je mag gerust binnenkomen om met Barbro te spreken," zei de man, toen hij zag, dat de ander heen wilde gaan.

„O neen, dat heeft geen haast," zei Stig nu.

Toen hij weg was, ging de man gauw naar de kamer om met zijn vrouw te spreken. Ze stond daar op hem te wachten, en eer hij nog een woord zeggen kon, begon ze heel kalm: „Ingmar, laten we toch niet aan dien kinderpraat gelooven. Wat heb ik nu te maken met wat honderden jaren geleden gebeurd is, als 't ooit gebeurd is?

Ik heb die oude historie natuurlijk ook wel gehoord, maar nooit, tot vandaag toe, heb ik geweten, dat die iets met mij te maken had."

,,'t Was ellendig, dat je 't hooren moest," zei de man, „maar dat is niets, als je 't nu maar niet gelooft."

De vrouw lachte. „Ik voel niet, dat ik een of anderen vloek draag," zei ze.

De man dacht, dat hij zelden iemand gezien had, die er zoo goed uitzag.

„Ik geloof wel, dat men van je zeggen kan, dat je naar lichaam en geest gezond bent."

307

Sluiten