Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan 't werk was, hief hij luisterend 't hoofd op — of hij haar stem niet hoorde, hij had een gevoel alsof alle tier uit de hoeve weg was. 't Was een heel andere plaats geworden.

Op een Zaterdagavond ging hij 't bosch in naar Barbro. Zij zat op de steenen stoep van de berghut. Ze liet de handen in den schoot rusten, en boewei ze haar man zag aankomen, ging ze hem niet tegemoet. Toen ging hij naast haar zitten.

„Zie je, er is iets heel wonderlijks over me gekomen," zei hij. „Zoo?" antwoordde ze, maar vroeg niet verder.

„Ik begin van je te houden."

Ze zag hem aan, en hij merkte, dat ze zóó moe was, dat ze nauwelijks de oogen kon opslaan. „Nu is 't al te Iaat," zei ze.

Hij werd doodelijk verschrikt, toen hij zag hoe ze was.

,,'t Is niet goed voor je hier alleen in 't bosch te zijn," zei hij.

„O ja, ik heb 't goed hier; ik wil hier altijd blijven."

De man trachtte haar nog eens te zeggen, dat hij nu van haar hield, en aan niemand dacht dan aan haar. Hij had het zelf niet geweten, vóór ze van huis gegaan was. Barbro gaf maar korte antwoorden.

„Dat alles hadt je me verleden herfst moeten zeggen," zei ze. „Groote God! Is nu alles voorbij?" zei hij, en zag er zeker heel wanhopend uit.

„Ach neen, nog niet," zei ze toen, en deed wat ze kon om opgewekter te zijn. Op een dag in Augustus kwam de man weer boven. „Er zijn treurige dingen gebeurd,"»zei hij toen hij bij Barbro was. „Wat dan?" vroeg ze. „Je vader is gestorven."

„Ja, dat is een belangrijk bericht voor ons beiden," zei ze.

Barbro ging zitten op een steen aan den weg, en vroeg haar man bij haar te komen zitten.

„Nu zijn we vrij om te doen wat we willen," zei ze, „en nu moeten we scheiden."

Hij wilde haar in de rede vallen, maar ze liet hem niet aan 't woord komen.

„Zoolang Vader leefde, was het onmogelijk, maar nu moeten we scheiding aanvragen," zei ze, „dat begrijp je wel." „Neen," zei hij, „daar begrijp ik niets van." „Je hebt wel gezien wat voor een kind ik gekregen heb." ,,'t Was een mooi kindje."

,,'t Was blind en 't zou idioot geworden zijn," ging ze voort. ,,'t Komt er niet op aan, hoe 't was, ik wil jou in elk geval houden."

Ze vouwde de handen, en de man zag, dat ze de lippen bewoog. „Dank je daar God voor?" vroeg hij.

310

Sluiten