Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Den heelen zomer heb ik om verlossing gebeden," zei ze. „O God, moet ik dan mijn geluk verliezen, ter wille van zoo'n sage."

,,'t Was geen sage," zei Barbro, ,,'t kind was blind."

„Dat weet niemand," zei hij, „als 't was blijven leven, zou je gezien hebben, dat 't goede oogen had."

„Maar mijn volgend kind wordt in elk geval een idioot," zei ze, „want nu geloof ik er aan."

De man bleef haar tegenspreken.

„Maar 't is niet alleen om 't kind, dat ik scheiden wil," zei ze. Hij vroeg wat er dan verder aan scheelde. „Ik wil, dat je naar Jeruzalem zult gaan en Gertrud halen," „Dat doe ik nooit," zei hij.

„Je moet 't om mijnentwil doen," zei ze, „om mij mijn rust terug te geven."

Hij verzette zich en zei, dat ze iets onmogelijks van hem verlangde. „Je moet het toch doen, omdat 't eerlijk is. Je ziet wel: als wij voortgaan te leven als man en vrouw, zal God nooit ophouden met ons te straffen."

Ze wist van den beginne af, dat ze hem kon doen toegeven, omdat hij een slecht geweten had.

„Je zult er blij om zijn, als je alles weer hebt goedgemaakt, wat je verleden jaar hebt bedorven," zei ze. „Je zoudt er anders je heele leven berouw over gehad hebben." En eindelijk, toen hij bezwaren bleef maken: „Je hoeft niet bang voor de hoeve te zijn. Je zult die van me koopen, als je terugkomt. Maar terwijl je in Jeruzalem bent, zal ik die voor je besturen."

Zoo trokken ze naar de hoeve, om alles voor de scheiding in orde te maken. Nu had hij 't zwaarder dan ooit. Hij zag, dat Barbro nu gelukkig was, en blij van hem af te komen. Ze sprak er 't liefst over, hoe Gertrud en hij 't samen zouden hebben. Vooral hield ze hem graag voor, hoe blij Gertrud zou zijn, als hij haar in Jeruzalem kwam halen. En eens, toen ze daar lang mee doorging, was 't hem als een openbaring, dat Barbro niet van hem hield, anders zou ze er wel niet altijd over praten om hem bij Gertrud te brengen.

Toen stoof hij op en sloeg op de tafel.

„Ik zal wel gaan," riep hij, „maar praat er nu hier niet meer over."

„Dan wordt alles goed," zei ze blij. „Denk er maar aan, Ingmar, dat ik geen gerust oogenblik meer hebben zal, vóór je met Gertrud verzoend bent."

En zoo maakten ze dat alles door. De predikant waarschuwde hen, de kerkeraad waarschuwde hen, en op het herfstting werden ze gescheiden." —

311

Sluiten