Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier hield Ingmar op en lei de pen neer. Nu wist de dominee alles. Er bleef nog over hem te vragen, of hij met Barbro spreken wou en vooral haar zien af te brengen van haar eisch, dat Ingmar met Gertrud trouwen zou. Dat begreep de dominee toch wel, dat hem onmogelijk was. Nu met valsche liefde bij Gertrud te komen, dat was immers haar opnieuw bedriegen.

Toen Ingmar daaraan dacht, vielen zijn oogen op de woorden, die hij zoo juist geschréven had. „Je moet het om mijnentwil doen, om mij mijn rust terug te geven."

Hij las nog eens over wat hij geschreven had, en 't was hem, alsof hij opnieuw op den heuvel in 't bosch zat en Barbro hoorde praten. „Je zult er blij om zijn, als je goedgemaakt hebt wat je bedorven hebt." Hij hoorde dat weer, en al wat ze verder gezegd had.

„En wat verlangt ze van mij, in vergelijking met de ellende, die ze zelf te dragen heeft," dacht hij. Plotseling vond hij, dat hij allerminst zou willen hebben, dat die brief daar onder haar oogen kwam. Ach neen, dan zou Barbro weten, dat hij meende dit niet te kunnen verdragen. Zou hij haar bidden en smeeken om vrij te komen van boete en straf?

Ze had geen oogenblik geaarzeld, geen seconde, sinds ze meende haar eigen wil te mogen volgen. Ze had hem aldoor moeten dwingen. En moest ze nu hooren, dat hij schreef, dat hij 't werk niet volbrengen kon?

Ingmar pakte al de beschreven papieren bijeen en stopte ze in zijn zak. ,,'t Is niet noodig dien brief te schrijven," zei hij.

Hij draaide de lamp neer en ging uit de meubelmakerij. Hij zag er nog gedrukt en ongelukkig uit, maar hij was vast besloten te doen, wat zijn vrouw verlangde.

Hij kwam naar buiten en zag een achterdeur, die openstond, 't Was al helder dag, hij ging in de deur staan en genoot van de frissche lucht, ,,'t Is géén tijd meer om naar bed te gaan," dacht hij.

De zonnestralen kwamen langzaam aanzetten over de heuvels. Deze werden met een bruinroode schemering overgoten; maar al wat hij zag, veranderde voortdurend van kleur.

Op de helling beneden den Olijfberg zag Ingmar Gertrud aankomen. Zonnestralen volgden en omringden haar. Ze liep met lichten tred, alsof de stralende glans van haar uitging.

En achter Gertrud aan zag Ingmar een langen man sluipen.

Hij volgde haar op 'n afstand, stond nu en dan stil, en keek een anderen kant uit, maar 't was duidelijk, dat hij over Gertrud waakte.

Ingmar herkende den man spoedig. En op 't zelfde oogenblik keek hij peinzend naar den grond.

Toen meende hij veel te begrijpen van wat hij den vorigen dag opgemerkt had, en een groote vreugde steeg op in zijn ziel.

„Nu begin ik te gelooven, dat God mij helpen wil," zei hij.

312

Sluiten