Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DERWISCH.

Op een avond tegen de schemering liep Gertrud in de straten van Jeruzalem. Zij werd toen getroffen door een langen, tengeren man in een versleten zwart kleed, die voor haar uitliep. Gertrud vond, dat er wat bizonders aan hem was, maar ze wist niet recht waarin dat bestond, 't Kwam toch niet, doordat hij een groenen tulband droeg om aan te duiden, dat hij een nakomeling van den profeet was: mannen met zulk een hoofdtooi kon men in elke straat vinden. Dan kwam 't eerder, doordat hij 't haar niet geschoren of onder den tulband opgestoken had, als andere oosterlingen gewoonlijk, maar 't op de schouders neer liet hangen in lange gelijke lokken.

Gertrud liep voort en zag de man na: ze kon niet laten te hopen, dat hij om zou zien, zoodat ze zijn gezicht zien kon. Toen kwam een jonge man hem tegemoet, boog zich diep, kuste zijn hand en ging verder.

De in 't zwart gekleede man stond een oogenblik stil, en zag den man, die hem zoo ootmoedig gegroet had, na, en zoo werd Gertruds wensch vervuld.

Gertrud werd bijna ademloos van geluk en verbazing. Zij bleef onbeweeglijk staan en drukte de hand tegen haar hart.

„Maar dat is Christus," zei ze. „Dat is Jezus Christus, dien ik bij de beek in 't bosch ontmoette."

De man zette haastig zijn wandeling voort. Gertrud trachtte hem te volgen, maar nu sloeg hij een drukke straat in, en toen verloor ze hem spoedig uit het oog. Toen keerde Gertrud naar de kolonie terug. Ze liep heel langzaam, telkens bleef ze staan, leunde tegen een muur en sloot de oogen.

„Als ik me hem maar herinneren kon," mompelde ze. „Mocht ik maar altijd zijn gezicht voor me hebben."

Zij trachtte in haar oog te branden, wat zij zoo pas gezien

313

Sluiten