Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„heb ik heen en weer geloopen in dezelfde straat en op hem gewacht."

„Neen maar! dan geloofde je me toch," zei Gertrud blij. Haar geloof vlamde opnieuw in haar op.

„Ik geloof juist de menschen niet zoo heel gemakkelijk," zei Ingmar.

„Heb je ooit zoo'n gezicht gezien?" vroeg Gertrud. „Neen," antwoordde Ingmar, „ik heb nooit zoo'n gezicht gezien."

„Gaat 't je ook zoo, dat je 't overal voor je ziet?" „Ja, dat gaat me ook zoo." „Geloof je nu ook niet, dat het Christus is?" In gmar ontweek het antwoord. „Hij moet ons nu toonen wie hij is."

„Als we Hem nu nog maar eens te zien konden krijgen," zei Gertrud. Ingmar bleef staan en zag er besluiteloos uit.

„Ik weet wel, waar hij nu vanavond is," zei hij zachtmoedig.

Gertrud was dadelijk vuur en vlam: „Neen, wat zeg je? weet je waar Hij is? Dan kun je immers met me meegaan, zoodat ik Hem weer kan zien."

„Maar 't is pikdonker," zei Ingmar. ,,'t is zeker niet geraden zoo laat nog naar Jeruzalem te gaan."

„Ach! dat is niet gevaarlijk," zei Gertrud. „Ik ben wel later dan nu naar zieken geweest."

Gertrud had veel moeite Ingmar over te halen. „Wil je niet met me mee, omdat je denkt dat ik gek ben?" vroeg ze, en haar oogen werden heel donker en zagen er akelig uit.

,,'t Was dom van me, dat ik je zei, dat ik hem gevonden had," zei Ingmar, „maar nu geloof ik toch, dat het 't beste is, dat ik met je meega."

Gertrud was zoo blij, dat ze de tranen in de oogen kreeg.

„Maar we moeten zien uit de kolonie te komen, zonder dat men 't merkt," zei ze. „Ik wil er hier met niemand over spreken, voor ik Hem nog eens gezien heb."

Het gelukte haar een lantaarn te vinden, en eindelijk'kwamen zij op den weg. Storm en regen sloegen hun tegen, maar Gertrud gaf er niet om. „Ben je er wezenlijk zeker van, dal ik Hem te zien krijg?"

Gertrud sprak onophoudelijk. Nu was hét alsof er niets meer tusschen haar en Ingmar was; ze gaf hem haar volle vertrouwen, zooals in vroeger dagen. Ze vertelde hem van alle morgens, dat ze op den Olijfberg had staan wachten. Ze vertelde hem ook, hoe 't haar gehinderd had, dat soms menschen daar boven ge» komen waren en haar hadden staan aankijken. „Dat was niet prettig voor me, dat allen me zoo wonderlijk aanzagen, alsof ik krank-

316

Sluiten