Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zinnig was. Maar ik wist immers zoo zeker, dat Christus komen zou, dat ik niet nalaten kon daar heen te gaan en op Hem te wachten.

Nu zou ik wel liever gewild hebben, dat Hij met groote macht en heerlijkheid op de wolken van den hemel gekomen was," zei ze, „maar wat komt er dat op aan, nu Hij toch gekomen is? Wat doet het er toe, of Hij komt in den donkeren winternacht? 't Wordt toch dag of heldere morgen, zoodra Hij zich vertoont.

En Ingmar, dat jij nu juist hier komen moest, nu Hij begint op te treden en te werken. Jij bent gelukkig, dat je niet hebt hoeven te wachten. Je kom juist in den goeden tijd." —

Gertrud bleef plotseling staan. Ze hield de lantaarn op, zoodat ze Ingmars gezicht kon zien. Hij zag er gedrukt en somber uit.

„Je bent al oud geworden in dit eene jaar, Ingmar," zei ze. „Ik begrijp wel, dat je door wroeging gekweld bent om mijnentwil. Maar nu moet je heelemaal vergeten, dat je verkeerd tegen me gedaan hebt. 't Was Gods wil, dat het zoo gaan zou. 't Was groote genade, die over jou en mij kwam. Hij wilde ons naar Palestina leiden, juist in dezen goeden, grooten tijd! —

Vader en moeder zullen nu ook blij zijn, als ze Gods bedoeling begrijpen," ging Gertrud voort. „Ja, ze hebben me nooit boos of hard geschreven, omdat ik heenging, zij begrepen wel, dat ik het thuis niet uit had kunnen houden; maar ik weet, dat ze verbitterd tegen jou geweest zijn. Maar nu zullen ze verzoend worden met de beide kinderen, die in hun huis opgroeiden. Weet je wat ik geloof? — dat ze meer over jou getreurd hebben dan over mij."

Ingmar liep zwijgend voort door den storm. Hij antwoordde evenmin hierop, als op al 't andere wat Gertrud zei.

„Hij gelooft zeker niet, dat ik Christus gevonden heb," dacht Gertrud. „Maar wat doet dat er toe, als hij mij toch bij Hem brengt? Ach als ik nog maar een poosje geduld heb, zal ik alle volken en vorsten der aarde de knieën zien buigen voor Hem, den Verlosser.

Ingmar leidde Gertrud in 't Mohammedaansche gedeelte van de stad, en zij liepen door veel donkere en door elkaar slingerende straten. Eindelijk bleef hij stilstaan voor een lage poort in een hoogen muur zonder vensters, en deed die open. Zij gingen door een lage gang en kwamen op een verlichte binnenplaats.

Een paar knechts waren in een hoek bezig, en een paar oude mannen zaten bijeengekropen op een steenen bank langs den eenen muur, maar niemand lette ook maar even op Ingmar en Gertrud. Zij gingen op een andere bank zitten, en Gertrud keek om zich heen. 't Was een binnenplaats, zooals zij er al vele in Jeruzalem gezien had. Rondom aan vier zijden was een overdekte zuilengang, en over de open plaats in 't midden was een groot,

317

Sluiten