Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oud, versleten doek gespannen, dat aan flarden naar beneden bing.

De geheele plaats scheen eens rijk en aanzienlijk te zijn geweest, hoewel die nu vervallen was. De zuilen zagen er uit, alsof ze uit een kerk daarheen gebracht waren. Ze waren vroeger zeker van boven mooi versierd geweest, maar nu waren de ornamenten afgebroken en misvormd; 't vernis aan de muren was erg geschonden, en uit hoeken en gaten staken vuile lompen. Tegen den eenen muur stonden een menigte kisten en kippenhokken opeengestapeld.

Gertrud vroeg fluisterend:

„Weet je zeker, dat ik Hem hier zien zal?"

Ingmar knikte bevestigend: hij wees op twintig kleine stukjes lammervel, die midden op de plaats in een kring lagen. „Daar zag ik hem gisteren met rijn discipelen," zei hij.

Gertrud zag er wat ontevreden uit, maar spoedig glimlachte ze weer. „Ja, dat is altijd zoo," zei ze. „Men verwacht Hem in eer en heerlijkheid, maar daar wil Hij niets van weten: Hij komt in eenvoud en armoede; maar je begrijpt wel, dat ik niet als de Joden ben, die Hem niet willen erkennen, omdat Hij zich niet vertoonde als vorst en heer der wereld."

Na een poos kwamen een paar mannen binnen. Zij liepen langzaam tot midden op de plaats, en zetten zich allen op een van de stukjes lammervel.

Allen, die de plaats opkwamen, waren op oostersche wijze gekleed, maar verder waren ze heel verschillend. Enkelen waren oud, anderen jong, sommigen kwamen in kostbare pelzen en rijden kleeren, anderen waren gekleed als arme waterdragers of landarbeiders. En naarmate ze kwamen, begon Getrud over hen te praten en ze namen te geven.

„Zie je, dat is Nicodemus, die 's nachts bij Jezus kwam," zei ze van een oud, voornaam man, ;,en hij daar, met dien grooten baard, is Petrus. En daar zit Jozef van Arimathea. Neen, nooit heb ik zoo goed begrepen als nu, hoe 't ging, als de discipelen zich om Jezus heen verzamelden. Hij daar, die de oogen neergeslagen houdt, is Johannes, en die man met zijn rood haar onder de muts is Judas, maar die twee, die daar op de steenen bank zitten, en niets doen dan rooken, en er niet om schijnen te geven, wat ze zullen hooren, zijn een paar schriftgeleerden. Zij gelooven niet aan Hem, ze zijn alleen gekomen uit nieuwsgierigheid en om Hem tegen te spreken."

Maar terwijl Gertrud sprak, was de kring voltallig geworden. Onmiddellijk daarna kwam de man, die ze verwachtte, en ging in 't midden staan.

Gertrud had niet gezien, waar hij vandaan kwam, ze schreeuwde

318

Sluiten