Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN DAGEN VAN ARMOE.

Toen Ingmar een paar maanden in Jeruzalem geweest was, stond hij op een dag bij de Jaffapoort. 't Was ongewoon mooi weer; er waren veel menschen buiten, en Ingmar keek met genot naar de bonte volksmenigte, die uit en in de poort stroomde.

Maar hij had daar niet lang gestaan, voor hij heelemaal vergat, waar hij zich bevond.

Zijn gedachten begonnen zich met een vraag bezig te houden, die hem dag aan dag vervolgde. „Als ik maar wist, hoe ik Gertrud bewegen kon de kolonie te verlaten," dacht hij, „maar dat schijnt onmogelijk."

Ingmar was er nu van overtuigd, dat hij Gertrud niet in Jeruzalem kon laten, maar dat hij ze mee naar huis moest zien te krijgen, als hij ooit vrede hebben zou. „Ach, had ik haar maar weer thuis in de oude school," dacht hij. „Had ik haar maar weg uit dit akelige land, waar zooveel vreemde menschen en vreeselijke ziekten zijn, en zooveel wonderlijke ideeën en dweperijen. Gertrud thuis te brengen, naar Dalecarlië, dat is 't eenige, waar ik nu aan denken moet. Ik zal er nu niet meer over denken, of ik van haar houd, of zij van mij, ik zal alleen probeeren haar weer bij haar oude vader en moeder te brengen."

,,'t Ziet er nu wezenlijk niet zoo goed uit in de kolonie, als toen ik kwam," dacht Ingmar.

,,'t Zijn harde tijden. Alleen daarom wilde ik Gertrud al zoo graag meenemen. Ik weet niet waarom de kolonisten opeens zoo arm zijn, zij schijnen in 't geheel geen geld meer te hebben. Geen van hen durft een nieuwe jas of japon te koopen, niemand denkt aan sinaasappels, ik geloof niet eens, dat ze genoeg durven eten aan tafel."

In den laatsten tijd had Ingmar gemeend te merken, dat Gertrud van Bo begon te houden, en hij stelde zich voor, dat zij wel met hem zou kunnen trouwen, als ze maar eerst thuis waren. Ing-

323

Sluiten