Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Die kerel daar is zeker al lang ontevreden geweest met de inrichting van de kolonie," dacht Ingmar weer. „Ik heb gehoord, dat hij een van de ijverigsten was, toen hij kwam, maar in 't laatst is hij zeker bekoeld. Ja! wie kan weten of daar niet iemand is, waar hij van houdt, en die hij niet anders daar vandaan kan krijgen; en dan denkt hij ook natuurlijk, dat de kolonie niet bestaan kan, nu de armoede gekomen is, maar liefst hoe eer hoe beter uit elkaar moet gaan. Ja, als ik goed nadenk, is 't de armoede zeker, die hem zoo ontevreden gemaakt heeft; hij heeft al lang rondgeloopen en getracht de anderen ontevreden te maken. Op een keer hoorde ik, dat hij er aanmerking op maakte, dat Miss 'Young mooier gekleed was dan de andere jonge meisjes, en een anderen keer beweerde hij, dat er beter eten op de tafel gezet werd, waar Mrs. Gordon zelf zat, dan op een van de andere."

„De hemel beware me," dacht Ingmar, en ging langzaam de straat op. „Hij is zeker gevaarlijk, die man. Ik moet eigenlijk gauw naar huis, om te vertellen, wat ik gehoord heb."

Maar 't volgend oogenblik stond Ingmar weer op zijn vroegere plaats aan de poort. „Jij, Ingmar moest de allerlaatste zijn, die de kolonisten waarschuwde.

Laat die man zijn gang gaan, dan wordt je werk verlicht. Je dacht er immers pas over, hoe je Gertrud uit de kolonie krijgen zou! Nu komt dat immers vanzelf, 't Was duidelijk, dat de consul en Clifford bedoelden, dat er gauw geen Gordonisten meer in Jeruzalem zouden zijn.

„Ja, als dat maar gebeurde, dat de kolonie uit elkaar ging," dacht Ingmar. „Dan zou Gertrud wel graag mee naar huis, naar Zweden, gaan!"

En op datzelfde oogenblik, dat Ingmar op de gedachte kwam, dat hij misschien gauw naar huis zou kunnen gaan, voelde hij hoe hij verlangde. „Ach! als ik er aan dank, dat nu in Februari 't winterwerk in 't bosch begint, dan trekt het in mijn armen, en mijn vingers tintelen van verlangen om de bijlschacht te grijpen. Ik kan 't niet begrijpen hoe de Zweden 't hier uithouden, zonder werk in den grond en in 't bosch. En ik geloof zeker, dat als zoo'n man als Tims Halfvor een houtmijt of een veld te verzorgen had gehad, hij nog geleefd zou hebben."

Ingmar kon haast niet meer stilstaan van opgewondenheid en verlangen. Hij ging de poort uit en den weg op, die dwars door 't dal van Hinnom loopt. Telkens en met steeds grooter zekerheid kwam de gedachte, dat, als zé maar eerst thuis waren, Gertrud met Bo trouwen zou en, hu' alleen voortleven. „Misschien wil Karin wel mee naar huis gaan en huismoeder op Ingmarshoeve worden. Dat zou nog 't beste zijn en dan konden ze 't zoo schikken, dat haar zoon de hoeve erft.

325

Sluiten