Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En al gaat Barbro terug naar de gemeente van haar vader, dan is ze toch niet zoo ver weg, dat ik haar niet nu en dan eens zien kan. Ik kan eiken Zondag naar haar kerk gaan, als ik wil; en nu en dan ontmoeten we elkaar wel eens op een bruiloft of een begrafenis. En ik kan toch wel aan tafel naast haar zitten en met haar praten. We zijn toch geen vijanden, al zijn we gescheiden."

Toen ging Ingmar er over nadenken, of 't ook verkeerd van hem was zoo blij te zijn, dat de kolonie misschien uit elkaar zou gaan. Maar hij verdedigde zich met kracht tegenover zichzelf.

„Niemand kan zoo lang onder de kolonisten leven, zonder te zien, dat zij uitstekende menschen zijn," dacht hij, „maar toch kan niemand wenschen, dat ze zoo door zullen gaan. Wat zijn er al veel van hen gestorven, en wat moesten ze een vervolging verduren. En wat lijden ze nu onder armoede. Ja, ik kan 't niet anders inzien, dan dat, vooral nu de armoede gekomen is, men wenschen moet, dat de kolonie zoo gauw mogelijk uiteengaat."

Terwijl hij zoo dacht, was Ingmar voort blijven loopen; hij was 't dal van Hinnom doorgegaan en den weg ingeslagen, die „den berg van de booze raadsvergadering" opliep. Daar boven lagen veel nieuwe, op paleizen gelijkende gebouwen naast de oudste puinhoopen. Ingmar had hier tusschen doorgeloopen, zonder er aan te denken, waar hij was. Nu eens stond hij stil, dan liep hij weer door, zooals iemand doet, die geheel in zijn gedachten verdiept is.

Op 't laatst was Ingmar blijven staan onder een boom. Hij had daar een goed uur doorgebracht, eer hij er toe kwam dien te bekijken. Die was vrij hoog en leek niet op de andere boomen, in zoover, dat hij maar aan één zij van den stam takken had. Geen van de takken groeide naar boven, maar alle vormden een dikke, gesloten massa, die naar 't oosten wees.

Toen Ingmar eindelijk den boom herkende, kromp hij onwillekeurig ineen, alsof hij bang werd. „Dat is immers de Judasboom," dacht hij. „Hier heeft immers de verrader zich opgehangen, 't Was wonderlijk, dat ik hier terechtkwam."

Hij ging niet verder, maar bleef staan en keek naar den boom op.

„Nu zou ik wel willen weten of God mij hierheen geleid heeft, omdat Hij vindt, dat ik een verrader tegenover de menschen in de kolonie ben."

Weer stond hij een poos stil. „Misschien is 't Gods wil, dat deze kolonie hier bestaan en bijeenblijven zal," dacht hij.

Nu ging hét denken zwaar en langzaam bij Ingmar. En de gedachten, die opkwamen, waren bitter en kwellend.

„Je moogt je verdedigen hoe je wilt, maar 't is toch verkeerd,

826

Sluiten