Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moest hij wel in dien nacht kunnen rijden, dacht hij, en op die manier kon Mrs. Gordon morgenmiddag thuis zijn. Maar toen Ingmar een uur gereden had, merkte hij, dat zijn paard kreupel ging loopen. Hij steeg af en zag, dat het paard een hoefijzer verloren had.

„Wat zullen we daaraan doen?" vroeg Ingmar den man, die naast hem reed.

„Er zit niets anders op, dat dat ik terugrijd naar Jeruzalem om hem te laten beslaan," zei de man.

Nu stond Ingmar daar midden op den weg alleen en wist niet wat hij zou doen. Maar opeens besloot hij de reis naar Jaffa te voet voort te zetten. Hij wist niet of dit het wijste was, wat hij doen kon, maar die macht, die over hem gekomen was, dreef hem voort. Hij had geen rust genoeg om terug te gaan.

Ingmar liep dus voort met groote stappen. Hij kwam goed voort. Na een poos werd hij toch ongerust. „Ik ben benieuwd, hoe ik te weten zal komen, waar Mrs. Gordon in Jaffa gelogeerd is. 't Was wat anders, toen die man bij me was. Nu zal ik wel van huis tot huis moeten loopen om haar uit te vinden."

Maar hoewel hij voelde, dat zijn bezorgdheid zeer gerechtvaardigd was, liep hij toch voort.

't Was een goede, breede landweg, waar hij op liep; hij zou er gemakkelijk op kunnen voortgaan, ook al werd de nacht donker. Maar tegen acht uur werd het helder maneschijn. Alle heuvels waarlangs de weg zich slingerde, werden ver in 't rond zichtbaar. De weg liep op en neer over deze heuvels. Zoodra Ingmar een overgeklommen was, stond hem een nieuwe op te wachten. Hij voelde zich soms heel moe, maar die vreemde macht dreef hem voort. Hij gaf zich geen tijd om stil te staan en even een minuut te rusten.

Ingmar ging op deze manier uur aan uur voort. Hoe ver hij gegaan was, wist hij niet, maar aldoor bleef hij tusschen de heuvels voortgaan. Zoodra hij den top van een heuvel bereikt had, dacht hij, dat hij nu al bijna zoo ver wezen moest, dat hij de vlakte van Saron kon zien, en de zee, die daar lag. Maar hij zag niet anders dan heuvelrijen, die voor hem stonden.

Ingmar keek op zijn horloge. De maneschijn was zoo sterk, dat hij met .groot gemak de wijzers en de getallen zien kon. 't Liep tegen elf uur. „Ach, wat is 't al Iaat," dacht hij. „En ik ben nog op den berg van Juda." Zijn angst werd al grooter. Hij kon niet meer loopen, hij begon te draven. Hij hijgde, 't bloed klopte in zijn slapen en zijn hart sloeg hevig.

„Ik word nog ziek; zóó kan ik het niet uithouden," zei hij, maar sprong toch voort.

Hij draafde in volle vaart de helling af. — De weg lag recht voor hem en hij dacht aan geen gevaar.

328

Sluiten