Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jaffa terugrijden. Toen ze een lange rij heuvels achter zich had, en een dal inreed, zag ze een man aan den weg zitten. Hij leunde met 't hoofd in de hand, en 't scheen, dat hij sliep. Maar toen de wagen voorbijreed, keek hij op, en Mrs. Gordon herkende Ingmar Ingmarsen.

„Hoe is 't mogelijk, dat hij al zoo ver gekomen kan zijn," dachtzij. Zij liet den wagen stilhouden en riep Ingmar. Toen hij haar stem hoorde werd hij innig blij. Hij stond dadelijk op.

„Rijdt u naar de kolonie, Mrs. Gordon?" zei hij.

„Ja," antwoordde ze.

„Weet u, dat ik op weg was u te halen? Ik ben gevallen en heb mijn knie bezeerd, en nu heb ik den heelen nacht hier gezeten." Mrs. Gordon keek verbaasd.

„Ben je vannacht niet in Jaffa geweest, Ingmar Ingmarsen?" vroeg ze.

„Ach neen," zei hij, „ik ben er alleen in den droom geweest. Zoodra ik even ingeslapen was, heb ik gemeend in Jaffa op en neer te loopen om u te zoeken."

Mrs. Gordon bleef in gedachten zitten, en kon niet antwoorden. Ingmar lachte wat verlegen, toen ze zweeg.

„Ik zou wel willen weten, of u me mee wilt laten rijden, Mrs. Gordon?" zei hij. „Ik kan me niet goed redden."

In een oogenblik was Mrs. Gordon uit den wagen gesprongen, en hielp hem erin. Maar toen bleef ze onbeweeglijk midden op den weg staan. „Dat is onbegrijpelijk," zei ze zacht. Ingmar moest haar opnieuw als 't ware wakker maken.

„U moet me niet kwalijk nemen, maar 't zou wel goed zijn, als u zoo gauw mogelijk naar huis reedt."

Zij stapte in den wagen. Opnieuw zat ze zwijgend na te denken. Ingmar moest haar weer storen.

„Neemt u mij niet kwalijk, maar er is iets, waar ik u over spreken wilde. Ü hebt toch geen bericht over Clifford gehad?"

„Neen," zei Mrs. Gordon.

„Ik hoorde hem gisteren met uw consul praten. Hij wil vandaag een of ander spektakel aanrichten, terwijl u weg bent." „Wat zeg je?" barstte Mrs. Gordon uit. „Hij wil de kolonie vernietigen."

Nu eindelijk had Mrs. Gordon haar gedachten weer bijeen. Zij wendde zich tot Ingmar, en begon hem nauwkeurig uit te vragen over wat hij gehoord had.

Daarna zat ze nog lang in diep nadenken verzonken. Toen zei ze heel onverwacht tot Ingmar: ,,'t Doet me veel pleirier, Ingmar Ingmarsen, dat je al zoo gehecht aan de kolonie bent."

Ingmar werd vuurrood. Hij vroeg, hoe ze weten kon, of hij een vriend van de kolonie was. „Omdat je vannacht bij mij geweest

332

Sluiten