Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

week hij terug met de armen voor 't gezicht. En Mrs. Gordon liep hem na en strekte de hand naar hem uit. Maar zij raakte hem zelfs met geen vinger aan.

„Ik zie Satan achter u staan," herhaalde ze; maar nu was haar stem sterk en schrikwekkend. Toen meenden wij allen Satan achter hem te zien staan, en we strekten de handen uit en wezen naar wat we zagen. En op 't zelfde oogenblik riepen wij: „Satan, Satan!"

Maar Clifford sloop van ons weg, en hoewel niemand van ons zich bewoog, jammerde hij luid, alsof we op hem schoten of hem sloegen. Hij sloop weg, in elkaar gedoken, en kwam tot de deur. Maar toen hij die wilde opendoen, riepen we allen nog eens: „Satan, Satan." Toen zagen we, dat hij vooroverzonk en liggen bleef. En toen we naar hem toekwamen en hem aanraakten, was hij dood."

„Hij was een verrader," zei Ingmar. „Hij verdiende zijn straf."

„Ja," zeiden de anderen. „Hij heeft zijn straf verdiend."

„Maar wat was hij van plan ons te doen?" vroeg een van de kolonisten.

„Dat weet niemand."

„Hij wilde ons ten offer brengen."

„Ja, maar op welke manier?"

„Dat weet niemand."

„Neen, niemand zal 't ooit weten."

,,'t Is goed, dat hij dood is," zei Ingmar.

„Ja, 't is goed, dat hij dood is."

Dien heelen dag waren de kolonisten opgewonden. Niemand wist wat Clifford hun had willen doen, en of 't gevaar met zijn dood was afgewend.

Uren achtereen brachten ze met bidden en zingen door in 't vereenigingslokaal. Zij waren als uit deze wereld weggedragen door 't gevoel, dat God voor hen gestreden had.

Nu en dan meenden zij te merken, dat volkshoopen, bestaande uit 't ergste schuim, dat in Jeruzalem te vinden was, op de kale velden nm de kolonie kwamen, en 't huis stonden te bekijken. Maar al deze menschen verdwenen weer, en de dag ging voorbij, zonder verdere gebeurtenissen.

Tegen den avond kwam Mrs. Gordon naar Ingmar Ingmarsen kijken, die op zijn bed zat met een verbonden knie. Zij dankte hem warm voor zijn' hulp en toonde zich heel vriendelijk tegen hem gezind.

„Ingmar Ingmarsen," zei ze onder andere, „nu wil ik je zeggen, dat ik heel blij zijn zou, als ik je een wederdienst bewijzen kon. Wil je mij niet vertellen, wat je op 't hart ligt, zoodat ik je helpen kan?"

Jeruzalem. 22

337

Sluiten