Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INGMARS STRIJD.

Ingmar heeft nu Baram Pacha's molen overgenomen. Hij is daar molenaar, en beurtelings helpt hem een van de kolonisten bij 't werk.

Maar nu is 't vanouds bekend, dat allerlei hekserij in alle molens huist, en de kolonisten merkten al gauw, dat niemand een dag lang de steenen in den molen van Baram Pacha kon hooren, zonder betooverd te worden.

Iedereen, die er naar luistert, begrijpt eindelijk, dat ze al snorrend dit zingen: „Wij malen meel, wij verdienen geld, wij doen nut; — maar wat doe jij, wat doe jij, wat doe jij?" —

En bij hem, die dit hoort, ontwaakt een ongelooflijk verlangen om zijn brood te eten in 't zweet zijns aanschijns. Er komt een koortsachtige onrust over hem, terwijl hij daar zit te luisteren naar de molensteenen.

Onwillekeurig begint hij er over te denken, voor welken arbeid hij geschikt is, wat hij doen kan, of hij niet iets bedenken kan om de kolonie te steunen.

En wie een paar dagen in den molen gewerkt heeft, spreekt over niets anders dan over de onbebouwde dalen, die braak liggen in dit land, over den berg, die met bosch beplant moest worden, en de wijngaarden, die om arbeiders roepen. En als de molensteenen hun lied een paar weken gezongen hebben, komt er een dag dat de Zweedsche boeren een stuk grond pachten op de vlakte van Saron, en er beginnen te ploegen en te zaaien.

Kort daarna koopen zij een paar groote wijngaarden op den Olijfberg.

En als nog eenige tijd verloopen is, nemen zij 't leggen van een waterleiding op zich in een van de dalen. Nu de Zweden begonnen zijn, komen de Amerikanen lang-

339

Sluiten