Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begon den berg af te gaan om hem te zoeken, ,,'t Is eigenlijk wonderlijk met Ingmar," dacht hij; „al heb ik niet veel reden om van hem te houden, toch zou ik 't vervelend vinden, als 't hem niet goed ging. Hij is een flinke kerel; hij heeft ons hier in Jeruzalem groote diensten bewezen. Als Gertrud niet tusschen ons stond, geloof ik dat ik een trouw vriend van hem worden zou."

't Werd al lichter, en toen hij in 't dal van Josafat kwam, duurde 't ook niet lang, eer hij Ingmar vond liggen, tusschen een paar graf steenen. Ingmars handen waren gebonden, en hij lag onbeweeglijk; maar toen hij Bo's zware stappen hoorde, hief hij 't hoofd op. —

„Ben jij 't, Bo?" vroeg hij.

„Ja," antwoordde Bo. „Wat scheelt jou?" Opeens zag hij Ingmars gezicht. Beide oogen waren gesloten, 't Eene was sterk gezwollen, en uit den ooghoek liep bloed. „Wat hebben ze met je gedaan, kerel?" vroeg Bo met vreemde, doffe stem.

„Ik heb met die grafschenders hier gevochten," zei Ingmar. „Toen struikelde ik over een van hen, en hij had een mes in de hand, dat vlak in mijn oog terecht kwam."

Bo viel naast Ingmar op de knieën, en hij begon de banden om zijn handen los te maken.

„Hoe kwam je aan 't vechten met de graf schenders?" vroeg Bo.

„Ik kwam hier voorbij en ik hoorde ze graven."

„En toen kon je 't niet hebben, dat de doode ook vannacht weer uit haar graf gehaald zou worden?"

„Neen," zei Ingmar, „dat kon ik niet hebben."

„Dat was flink van je," zei Bo.

„Ach neen," zei Ingmar, ,,'t was zeker dom, maar ik kon 't niet laten."

„Ik zal je eens wat zeggen," zei Bo. „Al was 't dan ook dom, — ik zal van nu af altijd je vriend zijn, omdat je dat gedaan hebt."

345

Sluiten