Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Als men iemand zijn heele leven heeft liefgehad," zei hij, „dan is men er zoo bang voor haar te verliezen. En 't allerergste is haar zoo te verliezen, dat je ziet, dat ze zóó hard is, dat ze niet vergeten en vergeven kan."

Bo sprak die harde woorden met een zachte, vriendelijke stem en Gertrud werd niet boos, maar begon te schreien. Zij herinnerde zich, hoe ze eens gedroomd had, dat ze Ingmar de oogen uitstak.

„Nu blijkt het, dat die droom waarheid was, en dat ik werkelijk zoo hard en wraakgierig ben, als ik toen in mijn droom was,'* dacht ze. „Ingmar zal zeker zijn gezicht verliezen door mijn schuld."

Ze werd diep bedroefd, maar de groote onmacht die haar bond, wecA niet; en toen de nacht kwam, en ze naar bed ging, kon ze nog geen besluit nemen.

Tegen den morgen maakte ze zich gereed voor haar gewone wandeling, en ging over de heuvels naar den Olijfberg.

Den heelen weg over streed ze met 't zelfde zware gevoel van onmacht. Zij zag, wat ze doen moest; maar haar wil was verlamd, en ze kon niet overwinnen, wat haar gebonden hield. Zij herinnerde zich, hoe ze eens een torenzwaluw gezien had, die op den grond gevallen was, en met de vleugels in 't zand lag te slaan, zonder genoeg lucht te kunnen vatten om op te vliegen. Juist zoo lag ze nu te klapwieken, zonder weg te kunnen komen, vond ze.

Maar toen ze den Olijfberg opgeklommen was, en daar stond op de gewone plaats, waar ze den zonsopgang placht te verwachten, zag ze, dat de derwisch, die op Jezus leek, daar vóór haar gekomen was. Hij zat op den grond, de beenen onder zich gekruist, en zag met zijn groote oogen neer op Jeruzalem.

Gertrud vergat geen oogenblik, dat de man maar een arme derwisch was, wiens eenige roem was, dat hij van zijn aanhangers een heftiger dans vorderde dan andere. Maar toen zij zijn gezicht zag, met de donkere ringen om de oogen, en den smartelijken trek om den mond, voelde zij een schok door de leden. Zij bleef met gevouwen handen bij hem staan en zag hem aan.

Zij droomde niet, ze had geen visioen; 't was alleen de groote gelijkenis, die haar den indruk gaf, dat zij een mensch zag met goddelijke gaven.

Zij geloofde opnieuw, dat als hij maar voor de menschen wilde optreden, het blijken zou, dat hij de diepte aller wijsheid gepeild had. Zij geloofde, dat storm en golven aan zijn bevel zouden gehoorzamen, zij geloofde, dat hij met God verkeerde, dat hij den kelk van aller lijden geledigd had, ze geloofde, dat zijn gedachten uitgingen naar onbekende dingen, die geen ander kon uitvorschen.

348

Sluiten