Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allerlei verschillend koren en zaad, en pitjes, die in 't Oosten gevonden worden.

Marta Ingmarsdochter liet haar linnenweefstoel klapperen, en zat namen op handdoeken en servetten te borduren, die aan haar zwager en schoonzuster gezonden moesten worden. En ze glimlachte, als zij er aan dacht, dat ze nu thuis zouden weten, dat ze niet vergeten had, hoe ze fijn en egaal weven moest, al was ze nu ook in Jeruzalem.

De beide Ingmarsdochters, die in Amerika geweest waren, stonden potten abrikozen- en perzikengelei dicht te binden, en onder op den bodem van de potten schreven ze lieve namen, die ze niet konden noemen, zonder tranen in de oogen te krijgen.

Israël Tomassons vrouw rolde deeg voor peperkoeken uit, en had ook een taart in den oven, waar ze op paste. De taart was voor Ingmar en Gertrud onderweg; maar de peperkoeken konden eindeloos lang goed blijven, en daar mochten ze niet aankomen. Die waren voor de oude vrouw in Myckelsmyra, die netjes in Zondagskleeren aan den weg gestaan had, toen de reizigers naar Jeruzalem wegtrokken, en voor Eva Ingmarsdochter, die eens tot de gemeenschap behoord had.

Al naarmate de pakjes klaar waren, werden ze naar Gertrud gebracht, en zij pakte ze in een groote kist.

Maar als Gerrtud niet in de gemeente geboren was, had ze niet op zich kunnen nemen al die ongelijke dingen aan de juiste personen te bezorgen, want op sommige stonden heel wonderlijke adressen. Zij moest zich al nu en dan bedenken, waar ze „Frans, die aan den kruisweg woonde", moest vinden of „Lise, de" zuster van Per Larsson", of „Erik, die voor twee jaar bij den rechter diende."

Gunnar, de zoon van Ljung Björn, kwam met 't grootste pak. Dat was geadresseerd aan „Karin, die naast me op school zat en in 't groote bosch woonde." Den familienaam had hij vergeten, maar voor Karin had hij een paar schoenen gemaakt van glanzend leer, en met hooge, gebogen hakken. Hij wist, dat het 't mooiste schoenwerk was, dat in de kolonie gemaakt was.

„Groet haar en bedank haar nog eens, omdat ze bij me kwam, toen we thuis aan 't inpakken waren voor de reis," zei hij, toen hij 't pak aan Gertrud toevertrouwde.

Maar de groote boeren kwamen bij Ingmar, en vertrouwden hem brieven en gewichtige opdrachten toe.

„En nu moet je naar den predikant en den schoolmeester en den rechter gaan," zeiden ze eindelijk, „en hun vertellen, dat je met je eigen oogen gezien hebt, dat we 't goed hebben en in een echt huis wonen, en niet in gaten in den grond, en dat we werk hebben en goed voedsel, en dat we een behoorlijk leven leiden."

351

Sluiten