Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van den dag af, dat Bo Ingmar in 't dal van Josafat gevonden had, was er groote vriendschap tusschen hen geweest, en zoodra Bo een uur vrij had, zat hij bij Ingmar, die nu in zijn ziekte alleen op een logeerkamertje woonde. Maar op den dag, dat Gertrud van den Olijfberg gekomen was, en Ingmar beloofd had met hem mee naar Dalecarlië te gaan, vertoonde Bo zich niet in de ziekenkamer. Ingmar vroeg telkens naar hem, maar niemand kop Bo vinden.

Hoe later het op den dag werd, hoe onrustiger Ingmar zich voelde. In 't eerst, toen Gertrud hem beloofd had mee te gaan, was hij blij en gelukkig geweest. Hij had aïleen groote dankbaarheid gevoeld, dat hij haar weg zou kunnen brengen uit dit gevaarlijk land, waarheen ze gedreven was door zijn gedrag. En zeker was hij daar nog altijd blij om, maar met elk uur verlangde hij sterker naar zijn vrouw.

't Kwam hem volslagen onmogelijk voor, te doen, wat hij op zich genomen had. Soms voelde hij den grootsten lust alles aan Gertrud te vertellen, maar bij nader overleg durfde hij dat toch niet doen. Zoodra ze wist, dat hij niet van haar hield, zou ze al dadelijk niet met hem mee willen gaan. En hij wist niet van wie Gertrud hield — van hem of van iemand anders. Soms had hij gemeend, dat 't Bo was, maar in den laatsten tijd had hij ingezien, dat hoewel Gertrud in de kolonie geleefd had, ze zeer zeker niemand anders had liefgehad dan Hem, dien ze op den Olijfberg verwachtte. En als ze nu weer in de wereld terugkwam, zou misschien haar oude liefde voor Ingmar weer ontwaken. En als dat gebeurde, zou 't zeker beter zijn met haar te trouwen en te probeeren haar gelukkig te makën, dan aldoor naar iemand te loopen verlangen, die toch nooit weer zijn vrouw kon worden.

Maar hoewel hij op die manier met zichzelf worstelde, nam de innerlijke tegenzin, die hem kwelde, steeds toe. Terwijl hij met verbonden oogen daar zat, zag hij steeds zijn vrouw voor zich.

„Ik hoor bij haar," dacht hij. „Er is geen ander, die macht over mij heeft.

„Ik weet wat 't is, dat me deze reis deed ondernemen," dacht hij verder, ,,'t Was om even flink te zijn als Vader. Zooals hij Moeder uit de gevangenis haalde, zoo wil ik ook Gertrud uit Jeruzalem halen. Maar nu begrijp ik, dat ik niet kan doen als Vader. Ik kom te kort, omdat ik van een ander houd."

Tegen den avond kwam Bo eindelijk bij Ingmar op de kamer. Hij bleef aan de deur staan, alsof zijn bedoeling was, niet lang te blijven.

„Ik hoor, dat je naar me gevraagd hebt," zei hij. „Ja," antwoordde Ingmar ,,'t Is zoo. Ik ga nu op reis." „Ja, ik weet dat het nu uitgemaakt is," zei Bo kortaf.

352

Sluiten