Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik ben hier gekomen," zei Gertrud, „omdat ik dacht, dat 't niet zeker was, dat we elkaar nog eens alleen zouden spreken, eer ik op reis ging. En ik wou je opwachten, en je er voor bedanken, dat je me eiken morgen gevolgd hebt naar den Olijfberg."

„Dat heb ik alleen voor mijn pleizier gedaan," zei Bo.

„Ik wou er je ook voor bedanken, dat je water voor me bent gaan halen uit de Paradijsbron," zei Gertrud glimlachend.

Bo scheen te willen antwoorden, maar in plaats van woorden kwam er enkel iets, dat op een snik leek.

Gertrud vond, dat er dien avond zooiets oneindig aandoenlijks over Bo was, en ze had diep medelijden met hem. ,,'t Is jammer voor hem, dat hij me nooit meer zien zal," dacht ze. „Hij is wel flink, dat hij niet klaagt en toch weet ik, dat hij mij zijn heele leven heeft liefgehad. Als ik maar wist, wat ik zeggen moest om hem te troosten. Als ik maar iets zeggen kon, waar hij met genot aan denken kan, als hij hier 's avonds alleen onder dezen boom zit."

Maar terwijl Gertrud zoo dacht, voelde ze, dat haar eigen hart ineenkromp van smart, en dat een wonderlijke versteening haar lichaam beving.

„Ik zal Bo ook wel missen," dacht ze, „we hebben zoo veel samen gepraat in den laatsten tijd. Ik ben er nu aan gewend zijn gezicht op te zien klaren, en hem blij te zien, telkens als we elkaar ontmoeten, en het was prettig iemand bij me te hebben, die altijd tevreden met me was, wat ik ook deed."

Ze zat nog een poos stil. Ze voelde hoe dat pijnlijk gemis in haar groeide als een plotselinge ziekte.

„Wat is dat? Wat is dat toch, dat over me komt?" dacht ze. ,,'t Kan toch zoo'n groot verdriet niet voor me zijn van Bo weg te gaan."

Opeens begon Bo te spreken:

„Er is iets, waar ik aldoor aan denk," zei hij, „en wat ik den heelen avond voor me heb."

„Vertel me wat dat is," zei Gertrud. Ze vond het een verlichting, dat hij sprak.

„Ja," zei Bo. „Ingmar vertelde me eens van een zagerij, die hij bij de Ingmarshoeve heeft. Ik geloof, dat hij bedoelde, dat ik met hem mee zou gaan en die pachten."

,,'t Schijnt, dat Ingmar groote vriendschap voor je voelt," zei Gertrud. „Er is niets, waar hij meer prijs op stelt dan die zagerij."

„En nu hoor ik die zaag den heelen avond in mijn ooren klapperen," zei Bo, „de waterval bruist, de rollen knarsen, 't timmerhout ligt in de rivier te dobberen. Je kunt je dat niet voorstellen, hoe mooi dat is. En dan zit ik hier er aan te denken, hoe 't wezen

355

Sluiten