Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had ze toch menig bedroefd oogenblik om zijnentwil. Meest voelde ze 't des nachts. Dan stond ze vaak op om naar 't kind te zien. 't Was heel leelijk, met een bleekgele kleur, en dun roodachtig haar. Zijn neus was te kort, zijn onderlip te groot, en als 't sliep trok het de wenkbrauwen samen, zoodat het diepe rimpels in 't voorhoofd kreeg. Als Barbro den jongen aanzag vond ze, dat hij een echt idiotengezicht had, en ze lag er vaak den heelen nacht over te schreien, dat haar zoon zulk een ongelukkige stumper wezen moest. Maar vroeg in den morgen werd het kind wakker, en lag uitgeslapen en vroolijk in de mand, die voor wieg moest dienen, en stak de armpjes naar Barbro uit, als ze tegen hem sprak. En dan werd Barbro weer stil en geduldig.

„Ik geloof niet, dat anderen, die gezonde kinderen hebben, ze zoo liefhebben als ik dit arme sukkeltje," zei ze tegen Oude Lisa.

De tijd ging voorbij, en 't liep tegen 't eind van den zomer. Barbro had nog niets kunnen bedenken om 't kind verborgen te houden na haar thuiskomst. Soms kwam 't haar voor, dat ze niets anders zou kunnen doen dan 't land uitgaan.

In 't begin van September was 't een donkeren, stormachtigen avond met regen en storm. Barbro en Lisa hadden vuur aangemaakt, en zaten zich aan den haard te warmen. Barbro zat met 't kind op haar schoot, en als gewoonlijk zat ze er over na te denken, hoe ze 't aan zou leggen, dat Ingmar er niets van hooren zou. „Anders komt hij bij me terug," dacht ze. „Ik weet niet, hoe ik hem dan aan 't verstand brengen zal, dat ik mijn last alleen wil dragen."

Juist toen ze zoo zat te denken, ging de deur heel onverwacht open, en een reiziger kwam binnen.

„Goeden avond saam," groette de man. „Dat was een geluk, dat ik dit huis vond. Ik kon in dit pikdonker niet naar het dorp komen, en toen herinnerde ik me in eens, dat de bergweide van de Ingmarshoeve hier in de buurt moest liggen."

De man was een arme stumper, die vroeger als koopman had geloopen. Nu had hij geen waren meer om aan te bieden, maar liep te bedelen. Hij was zeker niet zoo arm, dat hij niet had kunnen leven zonder de barmhartigheid van anderen in te roepen, maar hij kon niet laten van de eene hoeve naar de andere te gaan en nieuwtjes op te doen.

't Eerste wat hij in de kamer zag, was natuurlijk 't kind. Hij zette groote oogen op, toen hij het in 't oog kreeg.

„Van wie is dat kind?" vroeg hij dadelijk.

Beide vrouwen zwegen een oogenblik. Toen zei Oude Lisa kortaf en beslist: „Van Ingmar Ingmarsen."

De man keek nog verwonderder. En 't hinderde hem ook, dat hij ergens naar gevraagd had, wat hij niet had behooren te weten.

Jeruzalem. 24

369

Sluiten