Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN MOEDERHART. :-: :-: :-: >: door Wally Moes. Kleine Stephën, het eerste kindje van Aart en Mijntje Dirksen, was nu bijna twee maanden oud. Zijn armpjes en beentjes werden al zoo aardig stevig, en hij spartelde en trapte er mee, dat het een aard had, maar het lachje, waar zijn moedertje zoo naar verlangde, dat had zij nog met gezien. Ze zei al haar liefste woordjes, en knikte en lachte tegen hem, maar de groote blauwe oogen bleven even ernstig.

Toen haar dit weer eens bijzonder opviel, bleef zij met het kindje op schoot lang stil .zitten. Zij trachtte zich alle kleine kindertjes, die zij wel eens gezien had, voor den geest te halen. Haar Steffie was toch "t mooiste kindje, dat zij ooit gezien had; lachte hij nu maar eens tegen haar, wat zou dat zalig zijn! Was 't nu alleen, dat zij zoo ongeduldig was, of duurde 't bij Steffie bijzonder lang, Voordat hij lachte? Zij bedacht een voorwendsel om even bij een kennis, die een kindje van denzelfden leeftijd had, in te loopen. Toen zij daar binnenkwam, had de moeder het kindje net op schoot en sprak er tegen. Zonder er aan te denken een reden voor haar komst te geven, kwam Mijntje naderbij en keek met gespannen aandacht naar het kind. Het was of het bloed in haar aderen stolde, en öf ieder haar op d'r hoofd overeind ging staan: zij zag het in eens duidelijk, dat kindje deed heel anders. „Scheelt er wat aan. Mijntje, je ziet zoo wit, is Stephen niet goed?", vroeg de vrouw „Wel ja, mensen, best", antwoordde Mijntje, terwijl zij met de grootste moeite haar trillende lippen in bedwang hield, „hij groeit als kool, maar ik heb wat vergeten, ik moet gauw naar huis". En meteen was zij de deur alweer uit Zij liep zou gauw als zij maar kon zonder opzien te maken, want wat daar bij haar was opgekomen, dat was zoo vreeselijk, dat wilde zij niet denken, en niemand mocht aan haar merken, dat zij zoo iets vreeselijks dacht.

Thuis nam zij, over haar geheele lichaam bevende, dadelijk het kind uit de wieg en ging er mee aan tafel zitten. De mooie oogen keken als altijd recht voor zich uit. Toen riep zij het, en hield haar hoofd zoo verschillend mogelijk boven het kind, maar het volgde baar niet met de oogen, zooals dat andere kindje gedaan had, toen de moeder het toesprak. O, wat was er dan toch ?! Het was toch niet denkbaar, dat die oogen niet zagen ?! Neen, dat kon niet, zij zou rustig zijn en wachten, tot Aart thuiskwam; die zou haar wel uitlachen en zeggen, dat ze mal was, om zoo iets te denken.

En zij kuste en koesterde haar kindje, en keek en hunkerde, en trachtte in te dringen ta het geheim van die groote, open, glanzende bollen. Én dah drukte zij het tegen zich aan, en bad en vleide onzen lieven Heer, en beloofde Hem van alles, als haar kindje maar net mocht zijn als andere kinderen. Dan was zij ineens heelemaal gerust gesteld, noemde zichzelve dwaas en glimlachte, en keek weer ta het gezichtje. Maar de blik van het kind bleef even onverschillig recht voor zich uitstarend, en het Üep ijskoud over haar rug. O, zij durfde er niemand bij te halen, dan wilde zij nog maar liever ta 't onzekere blijven; dat vreeselijke

11

Sluiten