Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

strop! sliep uit! wat kan mij dat schelen! loop naar de maan! leuk! heerlijk! beroerde boel! dat is moeilijk, daar is niets aan, wij weten het samen wel wat een kokkerd van een neus, wat een dikbuik! ik heb slaap, ik verveel me. Ken je er 200 nog meer? Heb je wel eens een pantomiem of gebarenspel gezien? 14. Vallen en ^ani3s al deze trappen van ontwikkeling moet het kind opstaan. nu' voor elk woord afzonderlijk, met vee! moeite omhoog¬

kruipen; en het valt daarbij dikwijls door inwendige onhandigheid weer eenige sporten naar beneden. Maar het geeft den moed niet op; het volhardt in z'n pogen, en langzaam maar zeker, komt het zoo, met vergeten en opnieuw-leeren, met vallen en opstaan, voetje voor voetje, en woordje voor woordje, tot het voortdurend blijven verstaan van eenige Nederlandsche naampjes voor de meest alledaagsche gebeurtenissenen dingen—Maar ondertusschenzijner alweer nieuweontdekkingen en uitvtadingen gedaan: kort nadat het kind de eerste woorden heeft leeren begrijpen, houden de snelle vorderingen, in het verstaan van nieuwe woordjes, plotseling voor een tijdje op; en begint het kind op eigen houtje nu en dan zelf een woordje te stamelen, dat in de gegeven omstandigheden wel degeliik beteekenis heeft, zonder dat het vlak te voren door iemand is voorgezegd. Maar hiermee is dus de geschiedenis van het sprakelooze

S^iSï^^xXt^^ wakker 8cwordcn' Hetzalzichlaten hooren! UTT DE BELIJDENISSEN VAN AUGUSTINUSi). :-: EERSTE BOEK.

naar de vertaling :-: •-• .. . . n_ n

0 , . . • • •-• :-: van Frans Erens.

Uoch laat mi) spreken tegenover uwe barmhartigheid, mij aarde en asch. Laat mij niettemin spreken, want ik zie voor mij: uwe barmhartigheid en niet een spotlachenden mensch. tot wien Ik spreek. Ook gij zult misschien over mij lachen, maar daarna zult gij medelijden met mij hebben. Wat is het dan, dat ik wil zeggen o Heet, mijn God, dan dat ik met weet: hoe ik hier ben gekomen in dit sterfelijk leven. Wat was Ik vóór dien tijd. God. mijne zoetheid? was ik ergens ^ of was ik niemand? Want niemand is er die het mij zeggen kan: noch mijn vader, noch mijne moeder. Den tijd van mijn leven o Heer. waarvan ik me niet herinner gelee»! te hebben, ik heb er spijt van hem bij mijn jaren te moeten tellen, u *i u ^ , Wereld doorbrcng- Want met den sluier der vergetelheid is hij bedekt En ik ga dezen tijd voorbij en wat heb ik er nog mee te doen, met den fajd waarvan mijn geheugen is geen spoor! Er kwam een tijd. dat ik met meer was een sprakeloos wicht maar een dreumes, die uitte een geregelde taal. En dat herinner ik mij. en hoe ik leerde spreken werd mij later duidelijk. Want ouderen leerden mij niet de woorden volgens een bepaald plan. zooals later de letters maar ik zelf met mijn eigen verstand, dat gij. mijn God. mij hebt geschonken, wilde met schreeuwen, en verschillende klanken, en verschillende bewegingen mijner ledematen, de gevoelens van mijn hart openbaren om mij te

1U^fiQe ^USt^ spreefct ta «*» Belijdenissen altijd tot God zelf.'t Is. of hij in een vnendschappeh^-eerbiedio onderhoud: aan God z'n eigen leven in hertan^ing bren^

21

Sluiten