Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij mij in haar armen nam. Deze gelukkige dagen waren niet van langen duur. Eén korte lente vol muziek van roodborstjes en spotvogels, één zomer rijk aan vruchten en rozen, één herfst van goud en karmozijn gingen voorbij en lieten hunne gaven achter aan een gretig genietend kind. Toen, in de sombere Februarimaand, kwam de ziekte, die mijn oogen en ooren sloot en mij weder dompelde in de onbewustheid van een pas geboren kind. Men noemde het een acute ontsteking van hersenen en maag. De dokter dacht, dat ik er niet door zou komen. Doch eens op een vroegen morgen verliet mij de koorts, even plotseling en geheimzinnig als zij gekomen was. Er was dien dag groote vreugde in het gezin, maar memand, zelfs de dokter niet, wist, dat ik nooit meer zou kunnen zien of hooren. Ik verbeeld mij, dat ik van die ziekte nog verwarde herinneringen heb. Vooral weet ik nog, met welke teederheid mijn moeder mij trachtte tot bedaren te brengen in uren van boosheid en pijn, en in welk een toestand van.woede en verbijstering ik ontwaakte uit een onrustigen halven slaap; dan keerde ik mijn heete droge oogen naar den muur, weg van het eens zoo geliefde licht, dat iederen dag duisterder voor mij werd. Maar behalve deze zwevende herinneringen, als zij dien naam verdienen, schijnt alles even onwerkelijk als een nachtmerrie. Langzamerhand raakte ik gewend aan de stilte en aan de duisternis, die mij omringden, en vergat dat het ooit anders was geweest, totdat zij kwam — mijn onderwijzeres — die mijn geest bevrijden zou. Doch gedurende die eerste negentien maanden van mijn leven had ik toch een kijkje gehad op de groote, groene velden, een s tralenden hemel, boom en en bloemen — en wat daarvan was blijven hangen kon de daarop volgende duisternis met meer uitwisschen. Als wij ééns hebben gezien is „de dag en wat hij schonk, ons eigendom''. Ik kan mij met meer te binnen brengen wat gedurende de eerste maanden na mijn ziekte gebeurd is. Ik weet alleen, dat ik bij mijn moeder op schoot zat en mij aan haar japon vasthield, als zij haar huishoudelijke bezigheden verrichtte. Mijn handen betastten ieder voorwerp en letten op iedere beweging, en op deze wijze leerde ik vele dingen kennen. Al spoedig gevoelde ik behoefte mij aan anderen mede te deelen, en begon woeste gebaren te maken. Hoofdschudden beteekende „neen" en knikken „ja". Als ik trok meende ik „kom" en een duw was: „ga weg" (Vgl. blz. 22, regel 7). Wilde ik brood hebben dan bootste ik het snijden en smeren van een sneedje na. Als ik wenschte, dat mijn moeder voor het middageten vanille-ijs zou maken, dan maakte ik de beweging van iemand, die de machine daarvoor behandelt, en huiverde daarbij alsof ik het koud had. Bovendien slaagde mijn moeder er in. mij van allerlei te doen begrijpen. Ik wist altijd, wanneer ik haar iets moest brengen en liep voor haar naar boven, of waarheen zij mij zond. Inderdaad, ik heb aan haar liefdevolle wijsheid alles te danken, wat schoon en goed was in mijn langen nacht. In die dagen waren een klein negermeisje, Martha Washington, het dochtertje van onze keukenmeid, en Bello, een oude speurhond, die in zijn tijd een goed jager was geweest mijn trouwe metgezellen. Martha begreep mijn teekens en ik had er zelden moeite mee, haar

23

Sluiten