Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trokken door den geur der kamperfoelie waarmee het was bedekt. Iemand baalde juist water,. en mijn onderwijzeres hield mijne hand onder den straal. Terwijl die koele stroom over de eene hand liep» spelde zij in de andere het woord: water, eerst langzaam, toen sneller. Ik stdnd stil, mijne geheele aandacht op de beweging van haar vingers gevestigd. Eensklaps voelde ik een nevelachtig bewustzijn als van iets, dat ik vergeten had — een trilling van terugkeerende gedachte; en op onnaspeurlijke wijze werd het mysterie der taal mij geopenbaard. Ik wist op dat oogenblik dat „w-a-t-e-r" dat wonderbaar-koele-iets beteekende, dat over mijn hemd stroomde. Dat levende woord deed mijn ziel ontwaken, gaf haar licht, hoop, vreugde, — bevrijdde haar! Ik verliet het pomphuisje, vol vuur om te leeren. Alle dingen hadden een naam, en iedere naam wekte een nieuwe gedachte. Terwijl wij naar huis terug gingen, scheen ieder voorwerp, dat ik aanraakte, te trillen van leven. Dat kwam, doordat ik nu alles zag in het vreemde, nieuwe licht, dat voor mij was opgegaan. Bij het binnenkomen viel mij de gebroken pop in. Ik liep tastend naar den haard, raapte de stukken op, doch trachtte vergeefs ze weer bijeen te voegen. Toen vulden zich mijne oogen met tranen, want het werd mij opeens duidelijk wat ik had gedaan, en ik voelde voor het eerst spijt en berouw. Ik leerde dienzelfden dag nog een aantal nieuwe woorden, moeder, vader, zuster, juf — woorden, die de wereld voor mij „zouden doen bloeien", als de staf van Aaron. Er zou niet licht een gelukkiger kind gevonden kunnen worden, dan ik was, toen ik na dien gedenkwaardigen dag in mijn bedje lag, alles wat die dag mij gebracht had, nog eens doorlevend en voor het eerst verlangend naar den nieuwen dag, die komen zou. — Ik kan mij vele voorvallen te binnen brengen uit den zomer van 1887, die op het plotseling ontwaken mijner ziel volgden. Ik deed niets dan met mijn handen onderzoeken, en den naam leeren van ieder' ding, dat ik aanraakte. Op een heerlijken morgen, toen ik alleen in het tuinhuisje zat te lezen,* werd ik een wonderbaar fijnen geur in de lucht gewaar. Ik sprong op en strekte instinctmatig mijn handen uit Het was alsof de geest van de lente door het tuinhuis heen was gegaan. „Wat is dat?" vroeg ik, en het volgende oogenblik herkende ik den reuk van de mimosa-bloemen. Ik liep tot achter in den tuin, waar ik wist, dat de mimosa stond, op den hoek van het pad. ja, daar was hij, trillend in den warmen zonneschijn, met zijn bloeiende takken bijna het lange gras aanrakende. Was er ooit zoo iets heerlijks in de wereld geweest? De teere bloemen trokken terug bij de minste aardsche aanraking; het scheen een boom uit het paradijs, die op de aarde was overgeplant Ik liep tastend door een regen van bloemblaadjes naar den grooten stam, toen zette ik mijn voet tusschen de uiteengaande takken en heesch mij op in den boom. Ik deed mijn handen pijn aan de schors, maar ik had een heerlijk gevoel, dat ik iets bijzonders en wonderlijks deed en dus klom ik hooger en hoog er, totdat ik een zitplaatsje vond. Daar bleef ik langen tijd zitten en voelde mij als een toovergodin op een rose wolk, en droomde in paradijs-boom heerlijke droomen.

26

Sluiten